Hoofdtekst
Tot Haerlem in de school was onder anderen een groote jongen die altoos onder andere kleynder jongens, als sij hem maer het minste dede, wacker klappen uytdeelde. Eens dat hij een klyne geslaegen hadt, die sich met de vuysten niet kon wreecken, wiert hij dus betaelt. De kleyne ging bij nacht de heele galerij langs, daer al de kost-kinderen sliepen en boorde in elcke pispot een gaetje, selfs in sijn eygen oock. Alleen die van de groote jongen liet hij heel. 's Ochtens waeren alle de bedden bepist, uytgenomen dat van de groote, waeruyt de meester ontwijffelijck sloot dat hij den autheur van het werck moest geweest zijn, die hem sonder lang proces bij de kop vatte ende hem in de presentie van de andere dapper geesselde.
Beschrijving
In de school in Haarlem was een grote jongen die de kleinere jongens voor het minste in elkaar sloeg. Hij had een keer een jongen geslagen die niet sterk genoeg was terug te slaan. De jongen stond 's nachts op en boorde gaatjes in alle pispotten van de jongens die daar sliepen, inclusief zijn eigen. Alleen die van de grote jongen bleef heel. 's Ochtends waren alle bedden nat, behalve die van de grote jongen. De meester concludeerde meteen dat hij het had gedaan en geselde hem in bijzijn van de anderen.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Locatie in Tekst
Haarlem   
Plaats van Handelen
Haarlem (Noord-Holland)   
Kloekenummer in tekst
E097p   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
