Hoofdtekst
Een vrouw in de Haerlemmer schuyt sich seer geperst vindende, nam alsoo het nacht was, haer toevlucht tot haer kabas ende alsoo sij in 't hoeckje sat meende sij dat het niemant gesien hadde. De schuyt tot Leijden aengekomen zijnde, seyde een schalk tegens de schipper: 'Kent ghij die vrouw?' R. 'Neen.' R. 'Sij is de pluyste nergens nae, sooals ick kan mercken. Ick heb haer eenig goet in haer cabas sien bergen.' R. 'Mag ick daerop vast gaen?' R. 'Ja ghij, ick heb het selver gesien.' De schipper paste vinnig op dese vrouw die uyt schaemte al willens de laetste maeckte te zijn Sij quam soo ras niet aen land of de schipper haer nae. Sij sooveel te meer aen 't loopen, op 't lest haer krijgende, vatte hij haer arm met sijn eene en haer kabas met sijn andere handt, die hij haer ontweldigde, seggende: 'Caronje, langt hier het goedt', en stack sijn handt met groote vehementie in den etc. Ondertussen was den anderen de stat al ingedropen.
Beschrijving
Een vrouw zat op de boot en moest erg nodig. Het was nacht en donker, dus nam ze toevlucht tot haar tas, ging in een hoekje zitten en hoopte dat niemand haar gezien had. Toen de boot was aangekomen dachten de schipper en de schout dat ze wel erg verdacht had zitten doen, en ging de schipper haar achterna. Ze schaamde zich zo dat ze weg probeerde te rennen, maar de schipper wist haar tas te krijgen en stak zijn hand er diep in...
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Locatie in Tekst
Haarlem   
Leiden   
Plaats van Handelen
Leiden (Zuid-Holland)   
Kloekenummer in tekst
E167p   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
