Hoofdtekst
In seecker geselschap quam iemant met een hont, die aen 't blaffen geen tijt versuymde. Sij waeren juyst altemael ter jacht geweest, soodat sij van honden spraecken. Maer den laest ingekomenen hondt maeckte het soo grof met knorren, bijten en blaffen, dat de spreecker seyde: 'Desen verbruyden hond, hier uw meesters tong in uw gat.' De meester antwoorde: 'Mijnheer, den hont komt uw toe, ghij zijt er meester af.' De eerste, door dese retorsie sich aerdich geraeckt vindende, diende sich in plaets van weerwoorden van sijn roer en schoot den hondt doot. De eerste meester hadde niet te seggen, want hij hadt hem weggeschoncken.
Beschrijving
Een gezelschap kwam terug van de jacht en een van de honden hield niet op met blaffen. Iemand wenste de tong van de meester in de hond zijn gat, waarop de eigenaar van de hond het beest aan de spreker gaf, die de hond meteen neerschoot. De voormalige eigenaar kon hier nu niets tegen doen, aangezien hij hem had weggegeven.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20