Hoofdtekst
Wie in den Kerstnacht kerkwaarts gaat, hoort vanuit een der poelen bij Heithuizen het doffe luiden eener klok en denkt met huivering aan het kasteel, dat daar eens stond, maar vanwege de harteloosheid der inwoners, verzonk in de diepte.
Want lang geleden eens, toen ook het hooge feest van Christus’ geboorte plechtig gevierd werd in de dorpskerk en allen zich verzameld hadden om God te danken voor de groote gunst, aan het zondig menschengeslacht bewezen door zijn geliefden Zoon op aarde te zenden als zoenoffer, was de burchtheer op zijn slot gebleven.
Het was een heldere vriesnacht met scherpe maan, die met de matheid van oud zilver het landschap in sprookjesluister zette. In de velden rondom was het doodstil. De wegen en paden waren verlaten, toen eenmaal in de kerk de godsdienstige plechtigheid was begonnen.
Maar neen, gansch verlaten waren ze niet. Een grijsaard, onder den last der jaren gekromd, sleepte zich moeizaam voort langs het pad, dat naar het kasteel leidde. Eerbiedwaardig was zijn voorkomen, want het vlotte haar om het zwaar gerimpeld voorhoofd glansde als zilver, en een fraaie grijze baard golfde hem van de kin over de borst. Hij had vroeger betere dagen gekend. Thans moest hij leven van wat de milddadigheid hem verstrekte, en dat bleek soms bitter weinig. Zijn haveloos plunje beschutte hem niet tegen de vinnige koude van de vorst, en zijn schoeisel was versleten en stukgeloopen door het dolen langs de wegen. Leunend op zijn reisstaf, strompelde hij voort, terwijl hij herhaaldelijk dreigde te struikelen over de opstaande randen der diepe karrensporen in den weg. Hij zocht een nachtverblijf in schuur of stal en was door het lichtschijnsel op het kasteel verlokt deze richting in te slaan, in de hoop hier z’n verkleumde lijf wat te mogen verwarmen en eenige nooddruft te erlangen.
Aan de poort van het slot klopt hij aan en vraagt smeekend om een bete broods en nachtlogies.
Van het dienstpersoneel was niemand meer op. Dus begaf de ridder zelf, door nieuwsgierigheid gedreven, naar de poort, om te zien wie nog zoo laat in den nacht hierheen gekomen was. Want het kon een boodschap van belang zijn, zou dat waarschijnlijk ook wel wezen. Anders zou het toch niemand in ’t hoofd komen om op dit uur bij zulk een weersgesteldheid hier de rust te verstoren.
Met die gedachte uitgegaan om de poort te openen, stond de ridder niet weinig verbaasd slechts een bedelaar te ontmoeten.
Wrevelig en norsch snauwde hij den grijsaard als antwoord op zijn bede toe:
“Hoe waag je het op dezen tijd nog hier aan te kloppen? Scheer je weg, of ik laat de honden los, dat je die vaneenrijten! Wat een schaamtelooze brutaliteit, mijn nachtrust zonder reden te verstoren!”
De arme man herhaalde met tranen in de ogen en smeekend handgebaar zijn bede: “In Christus’ naam, ik heb honger en ben uitgeput van het zwerven. Verstoot mij niet om de liefde van Hem, die ook om uwe zonden uit te wisschen ter wereld kwam in dezen heiligen nacht.”
“Weg, boevengespuis!” schold de ridder. “Aanstonds weg, of ik klief je het hoofd en hang je lijf hier aan de poort als prooi voor de raven! Wat raakt mij Christus! Wat heb ik met God van doen! Ben ik nog niet genoeg geërgerd door dat gebengel van jullie kerkklokken? Moet jij me dan ook nog, en dat op dit uur, komen lastig vallen met je gefemel! Verloopen zot, maak je weg!”
Met een smak wierp de ridder de zware poort dicht.
De grijsaard sloeg een kruis en bad: “God vergeve u deze schanddaad en rekene u mijn dood niet aan!”
Dan zonk hij machteloos neer op een van de zware steenen vóór den ingang van het kasteel.
Enkele oogenblikken later spleet de grond open en het ridderlijk slot verzonk in de diepte van het moeraswater.
In den opklarende morgen keerde de dorpelingen uit de kerk huiswaarts, vrede in ’t hart door het gebed en de schoone kerstliederen, die zij gehoord hadden bij het dreunen van het orgel en de geurige wierookdampen, opkringelend voor het met bloemen en overdadig kaarslicht versierde altaar, waar het Allerheiligste was uitgesteld ter vereering: God met ons onder de nederige gedaante van ongedeesemd brood. Hoe voelden zij hun hart verheugd, hun geest vervreugdigd! Zij spoedden zich nu terug naar hunne woningen om te ontbijten; de kleinere kinderen zouden spoedig ook wakker zijn en na de koffie gingen die dan mee naar de kerk, waar vooral “het stalletje van Bethlehem” met den os en den ezel en de herdertjes met hun schapen hen interesseerde. Er waren nieuwe beelden bijgekocht en het tafereel was veel mooier dan verleden jaar.
Eenige dorpelingen, die den weg naar het kasteel langs moesten, bleven verwonderd staan. Van het grootsche slot was niets meer te zien. De plaats, waar het stond, was effen en kaal.
Maar lag daar niet een man te slapen? Of was er een ongeluk gebeurd?
Zij kwamen nader en betastten den zwerver. Het lichaam was koud en stijf. Geen spoor van leven viel er meer te bespeuren. God had den ongelukkige tot zich genomen, hem uit zijn ellende bevrijd en verlost van jammer en kommer, die zoo langs reeds op aarde zijn deel waren geweest.
Men begreep nu, welk treurspel zich hier had afgespeeld in de vorige uren. Iedereen kende de hardvochtigheid en goddeloosheid van den burchtheer. De straf des hemels had hem en de zijnen getroffen. Het machtig bezit, waarop hij zich zoo verhoovaardigde, terwille waarvan hij zijn hart sloot voor alle edeler aandoeningen, lag verzonken en vergaan, tot afschrikwekkend voorbeeld van wie de goddelijke wetten niet naleeft en in meedoogenlooze zelfzucht het gebod der naastenliefde verwaarloost.
Wie den arme versmaadt, vindt in God een strengen rechter.
Onderwerp
SINSAG 1141 - Das versunkene Schloss. Schlechter Ritter von der Erde verschluckt.   
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Kerstnacht   
Christus   
God   
Allerheiligste   
Hem   
Heythuyzen   
Naam Locatie in Tekst
Heithuizen   
Bethlehem   
Plaats van Handelen
Heythuyzen (Limburg)   
Kloekenummer in tekst
L292p   
