Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

LIMB004 - De visscher van Halen

Een sage (boek), 1923

Hoofdtekst

De visscher van Halen
Te Halen lag eertijds een groot en diep water.
De bewoners dier streek vertelden, dat er eens een prachtig kasteel gestaan had.
Op zekeren dag was dat plotseling verzonken, maar de klok ervan luidde nog telken jare in den Kerstnacht met doffe tonen in de diepte, en wie den klank hoorde merkte er iets sombers en melancholieks in; een schamele rest was het van de prachtige stem waarmee ze vroeger ringelrangde over de omgeving. Ook vertelde men van nachtelijke wandelaars die, hare tonen volgend, verdwaalden en verdronken in het moeras.
Het water, waarin de klok verzonken lag, was zeer vischrijk, zoodat er bijna altijd aan de oevers hengelaars waren met glanzende rietstokken om het waterwild te verschalken met een geangeld snoer. Terwijl de roode dobbers rustig op den waterspiegel dreven, slechts af en toe door aanwaaienden wind wat verder schommelend, zaten de visschers tusschen de speer-lisschen en het malsche groen geduldig te wachten, onverstoorbaar in ondoorgrondelijke kalmte, totdat het gerei nopte. Dan sloegen zij met een zwieping van het roer handig op, de dobber vloog omhoog, en aan het sterke sjorrende snoer bengelde meestal een zilverige visch, vruchteloos spratelend om weer in z’n element te komen en los te raken van den vlijmenden haak die hem zoo rits-ineen in muil en kieuwen geprikt was.
Zoo zat op zekeren Zondagmorgen, terwijl in de kerk de Hoogmis gezongen werd, ook weer iemand te visschen aan den plas. Hartstochtelijk liefhebber van die sport was hij er ook vandaag op uitgegaan om te hengelen, hoewel hij wist dat dit op Zondag kwalijk paste, allerminst terwijl de morgendiensten in de kerk nog niet geëindigd waren.
Na zich een geschikt plekje uitgekozen te hebben, had hij er zich geposteerd op het oevergras en wachtte lijdzaam, of de dobber nopte die op het effen water dreef. Hij had een vetten pier aan de haak gespietst en hield in een blikken trommel zijn ander aas versch. Nieuwsgierig en begeerig bleven zijne oogen gericht op de drijvende kurk.
Het was een mooie Meidag. Wat verderop stonden overal bremstruiken in bloei: boeketten stralend geel, schitterend in het landschap als wondere vlammen, den levensrust ontvonkend, het oog streelend, de zinnen verrukkend. En de weilanden waren op verschillende plaatsen als besneeuwd door de weelde van licht-paarse pinksterbloempjes, terwijl duizenden boterbloemen en madelieven daartusschen sterrelden. Het zonlicht fonkelde in laaien gloed over de wereld, zilvertrillend en de ruimte doorzingend met kristallen melodie. Alles onderging haar magischen invloed en zwijmelde van genot in den geluksdroom dier schitterglorie.
Maar opeens vervaalde de lucht met grijze wolken.
Een regenbui dreigde met onweer.
De zwaluwen scheerden piepend en kriepend laag over het water. Musschen en andere vogels verscholen zich in het dichte loover der struiken en boomen.
Doch den visscher z’n aandacht was te zeer gespannen op de sport, dan dat hij veel aandacht schonk aan deze zonderlinge verandering in de weersgesteldheid. Hij loerde maar onafgebroken naar den zwemmenden rooden dobber, alsof zijn heil en leven daaraan verbonden was.
Nop! Daar dook-ie opeens!
Verheugd sloeg de hengelaar zijne twee handen aan den stevigen stok om den buit op te halen.
Het vlotte echter niet naar wensch.
Er moest òf een groote visch aan den haak zitten òf een onder water drijvend kreng was er aan vastgeraakt.
Behoedzaam trad de hengelaar achteruit op het voetpad langs den plas en probeerde al trekkend en sleepend zijn buit op het droge te halen.
Heeremijntijd! Wat was dat?
De oogen van den visscher vergrootten van verbazing. Hij werd zenuwachtig bij het zien van de onverhoopte vangst.
Een snoek van buitensporige afmeting trok hij uit het water te voorschijn. Met veel moeite, zorgzaam en tactvol, kreeg hij hem eindelijk in het oevergras.
Nu moest hij het beest grijpen. Anders bestond gevaar dat de visch weer terugspartelde in zijn element, dat hij noodgedwongen had moeten verlaten.
Dus sloeg de hengelaar de handen aan den snoek.
Maar de visch bleek hiervan volstrekt niet gediend. Hij hapte naar zijn beul en beet deze met zijn scherpe tanden zoo vinnig, dat hij hulp en moord schreeuwde. Intusschen bewoog het dier zich met fikse sprongen weer in de richting van het water, den hengelaar meesleurend. Met moeite hield die zich op de been en greep zich bijtijds nog vast aan een grooten struik op den uitersten rand van den over. Want de snoek had hem reeds te water getrokken. Na een weinig verkwikkend bad in het vettige bruine moerasslijk wist hij zich los te worstelen en ontkwam zoo nog aan den dreigenden dood.
Nadien is hij ’s Zondags niet meer uit visschen gegaan.

Onderwerp

SINSAG 1141 - Das versunkene Schloss. Schlechter Ritter von der Erde verschluckt.    SINSAG 1141 - Das versunkene Schloss. Schlechter Ritter von der Erde verschluckt.   

Beschrijving

In een plas is een kasteel verzonken waarvan de klok nog jaarlijks in de kerstnacht luidt. Een visser die op zondag onder de hoogmis gaat vissen vangt een enorme snoek die hem het water in trekt. De man weet zich te redden, en gaat nooit meer op zondag vissen.

Bron

J. Kleijntjens, H.H. Knippenberg. Limburgsche sagen. Uit droom- en fantasiewereld I. Leiden 1923, p. 20-25.

Commentaar

1923
Das versunkene Schloss. Schlechte Ritter von der Erde verschluckt

Naam Overig in Tekst

Kerstnacht    Kerstnacht   

Zondag    Zondag   

Hoogmis    Hoogmis   

Meidag    Meidag   

Naam Locatie in Tekst

Halen    Halen   

Plaats van Handelen

Halen (BeLb)    Halen (BeLb)   

Kloekenummer in tekst

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20