Hoofdtekst
De weerwolf van Blitterswijck
Ook in Limburgsche sagen treden meermalen weerwolven op. Zoo leefde er vroeger een te Blitterswijck. Als de klok van den kerktoren het uur van middernacht sloeg, dan zorgden de bewoners van Blitterswijck binnenshuis te wezen, want wie nog buiten was kon het slecht vergaan. Immers dan begon de weerwolf zijn gang door bosch en veld. Hij was plomp en breed van gestalte en droeg een mooi glanzend-zwart haren vel en een stompstaart. Dat vel kreeg hij – hoe wist niemand – bij zich thuis bij het slaan den middernachtsklok. Fluks zat hij erin, en dan ving hij zijn avontuurlijken tocht aan, waarbij hij de gansche streek onveilig maakte. Er werd in het dorp veel over gesproken. Volgens ooggetuigen die ’s nachts door het ondier waren aangevallen, moest het een vreeselijk beest zijn, met oogen die gloeiden als vurige kolen en een vinnigen groenen glans uitstraalden in het donker.
Iedereen kende den persoon, die als weerwolf rondwaarde. Maar niemand waagde zich des avonds in zijn woning, omdat men bang was voor betoovering en bezwering. Wie eenmaal onder den doem van den Booze stond, kwam er niet gemakkelijk vrij van. Dat had de ondervinding geleerd. En daarom schuwde een ieder dat huis.
Eindelijk besloten eenige jongelui het stoute stuk te bestaan van den weerwolf in z’n huis te bezoeken. Zij wilden meer weten van het zonderlinge geval, dat zooveel opspraak wekte. Dus gingen zij op zekeren dag gezamenlijk naar de woning. Zij vonden den boer thuis. Smakelijk verorberde hij als avondmaal een grooten schotel aardappelen met salade en eenige hompen bruinbrood met spek. Het was bekend, dat hij nooit iemand fiks in de oogen keek; er was iets schuw-ontwijkends in zijn blik. Toen hij klaar was met eten, gingen zij samen bij den haard zitten. Er werd een praatje aangeknoopt over het weder en de late veldvruchten. Lustig vlamde het vuur tusschen de zware ijzeren staven van den open haard, waarboven een zwartbesmookte ketel hing aan een zwaren ketting. Terwijl zij zoo te keuvelen zaten over ditjes en datjes en de tabaksrook uit de houten pijpen opkringelde in de kamer, vorderde ongemerkt de tijd. Opzettelijk rekten zij het gesprek, allerlei onderwerpen erin betrekkend. Wetend dat de boer zich allerlei viezevazen soms in het hoofd haalde, spraken zij hem moed in en trachtten door grappigheid zijne buiten van zwaarmoedigheid te verdrijven. “D’r was toch geen reden om zoo zwaartillend te zijn.” Maar hun goedlachsheid vermocht toch niet den boer in een prettiger stemming te brengen. Hoe meer het uur van middernacht naderde, des te somberder toonde hij zich. Zenuwachtig en gejaagd stond hij af en toe op en stapte met gebogen hoofd door de kamer, slechts gedeeltelijk verlicht door een petroleumlampin een hoek van het vertrek op de tafel waar nog het eetgerei stond. Onder de wit-porseleinen kap, met zwaar rood papier overtrokken, sproeide het schijnsel uit over het tafelblad in fel-gelen gloed, maar de rest van de kamer lag in schemer.
Met scherpe klank sloeg de oude hangklok half twaalf.
De vrienden gaven nauwlettend acht op de gedragingen van den boer. Hij scheen last te hebben van benauwdheid, want met z’n rooden zakdoek wischte hij zich herhaaldelijk langs het voorhoofd. Aan de gesprekken nam hij amper meer deel, hoewel hij toch weer bij hen was gaan zitten.
Daar opeens staat hij op uit zijn armstoel, haakt den ketel los van de schalmen van den ketting, zet den pot op den grond en wil de deur uitgaan zonder iets te zeggen. De jongelui, den toeleg begrijpend, beletten hem dit. Maar driftig stelt hij zich te weer en probeert met alle geweld naar buiten te komen. Nu grijpen zij met z’n allen hem stevig vast en dwingen hem weer plaats te nemen in hun midden. Maar andermaal springt hij onverhoeds op en wendt zich naar de deur. Opnieuw wordt hem de weg versperd. Hij gaat nu te keer als een bezetene en slechts met de uiterste krachtsinspanning blijven zij hem meester.
Twaalf klokketonen rinken door de kamer.
Allen schrikken. Want op de pas valt met een doffen plof een groot ruigharig wolfsvel uit de schouw op het haardvuur. Het is met de vlammen in aanraking gekomen en begint te schroeien. Een scherpe solferstank verspreidt zich door het vertrek. Die verergert naarmate het vel meer verbrandt, en wordt eindelijk zoo afschuwelijk dat het binnenshuis niet meer uit te houden is. Reeds denken de vrienden erover om heen te gaan, wijl hun de reuk den adem dreigt af te snijden en zij zich niet meer in staat gevoelen den boer te betoomen, als zij bemerken dat de stank vermindert. Van den wolfspels rest nog slechts een hoopje asch. De boer herkrijgt allengs zijn kalmte en zegt: “Laat me nu maar! Ik ben Goddank van de ellende verlost!”
Met de vernietiging der wolfshuid was de betoovering geweken, zooals dat in alle geschiedenissen van weerwolven het geval pleegt te zijn.
Ook in Limburgsche sagen treden meermalen weerwolven op. Zoo leefde er vroeger een te Blitterswijck. Als de klok van den kerktoren het uur van middernacht sloeg, dan zorgden de bewoners van Blitterswijck binnenshuis te wezen, want wie nog buiten was kon het slecht vergaan. Immers dan begon de weerwolf zijn gang door bosch en veld. Hij was plomp en breed van gestalte en droeg een mooi glanzend-zwart haren vel en een stompstaart. Dat vel kreeg hij – hoe wist niemand – bij zich thuis bij het slaan den middernachtsklok. Fluks zat hij erin, en dan ving hij zijn avontuurlijken tocht aan, waarbij hij de gansche streek onveilig maakte. Er werd in het dorp veel over gesproken. Volgens ooggetuigen die ’s nachts door het ondier waren aangevallen, moest het een vreeselijk beest zijn, met oogen die gloeiden als vurige kolen en een vinnigen groenen glans uitstraalden in het donker.
Iedereen kende den persoon, die als weerwolf rondwaarde. Maar niemand waagde zich des avonds in zijn woning, omdat men bang was voor betoovering en bezwering. Wie eenmaal onder den doem van den Booze stond, kwam er niet gemakkelijk vrij van. Dat had de ondervinding geleerd. En daarom schuwde een ieder dat huis.
Eindelijk besloten eenige jongelui het stoute stuk te bestaan van den weerwolf in z’n huis te bezoeken. Zij wilden meer weten van het zonderlinge geval, dat zooveel opspraak wekte. Dus gingen zij op zekeren dag gezamenlijk naar de woning. Zij vonden den boer thuis. Smakelijk verorberde hij als avondmaal een grooten schotel aardappelen met salade en eenige hompen bruinbrood met spek. Het was bekend, dat hij nooit iemand fiks in de oogen keek; er was iets schuw-ontwijkends in zijn blik. Toen hij klaar was met eten, gingen zij samen bij den haard zitten. Er werd een praatje aangeknoopt over het weder en de late veldvruchten. Lustig vlamde het vuur tusschen de zware ijzeren staven van den open haard, waarboven een zwartbesmookte ketel hing aan een zwaren ketting. Terwijl zij zoo te keuvelen zaten over ditjes en datjes en de tabaksrook uit de houten pijpen opkringelde in de kamer, vorderde ongemerkt de tijd. Opzettelijk rekten zij het gesprek, allerlei onderwerpen erin betrekkend. Wetend dat de boer zich allerlei viezevazen soms in het hoofd haalde, spraken zij hem moed in en trachtten door grappigheid zijne buiten van zwaarmoedigheid te verdrijven. “D’r was toch geen reden om zoo zwaartillend te zijn.” Maar hun goedlachsheid vermocht toch niet den boer in een prettiger stemming te brengen. Hoe meer het uur van middernacht naderde, des te somberder toonde hij zich. Zenuwachtig en gejaagd stond hij af en toe op en stapte met gebogen hoofd door de kamer, slechts gedeeltelijk verlicht door een petroleumlampin een hoek van het vertrek op de tafel waar nog het eetgerei stond. Onder de wit-porseleinen kap, met zwaar rood papier overtrokken, sproeide het schijnsel uit over het tafelblad in fel-gelen gloed, maar de rest van de kamer lag in schemer.
Met scherpe klank sloeg de oude hangklok half twaalf.
De vrienden gaven nauwlettend acht op de gedragingen van den boer. Hij scheen last te hebben van benauwdheid, want met z’n rooden zakdoek wischte hij zich herhaaldelijk langs het voorhoofd. Aan de gesprekken nam hij amper meer deel, hoewel hij toch weer bij hen was gaan zitten.
Daar opeens staat hij op uit zijn armstoel, haakt den ketel los van de schalmen van den ketting, zet den pot op den grond en wil de deur uitgaan zonder iets te zeggen. De jongelui, den toeleg begrijpend, beletten hem dit. Maar driftig stelt hij zich te weer en probeert met alle geweld naar buiten te komen. Nu grijpen zij met z’n allen hem stevig vast en dwingen hem weer plaats te nemen in hun midden. Maar andermaal springt hij onverhoeds op en wendt zich naar de deur. Opnieuw wordt hem de weg versperd. Hij gaat nu te keer als een bezetene en slechts met de uiterste krachtsinspanning blijven zij hem meester.
Twaalf klokketonen rinken door de kamer.
Allen schrikken. Want op de pas valt met een doffen plof een groot ruigharig wolfsvel uit de schouw op het haardvuur. Het is met de vlammen in aanraking gekomen en begint te schroeien. Een scherpe solferstank verspreidt zich door het vertrek. Die verergert naarmate het vel meer verbrandt, en wordt eindelijk zoo afschuwelijk dat het binnenshuis niet meer uit te houden is. Reeds denken de vrienden erover om heen te gaan, wijl hun de reuk den adem dreigt af te snijden en zij zich niet meer in staat gevoelen den boer te betoomen, als zij bemerken dat de stank vermindert. Van den wolfspels rest nog slechts een hoopje asch. De boer herkrijgt allengs zijn kalmte en zegt: “Laat me nu maar! Ik ben Goddank van de ellende verlost!”
Met de vernietiging der wolfshuid was de betoovering geweken, zooals dat in alle geschiedenissen van weerwolven het geval pleegt te zijn.
Onderwerp
SINSAG 0824 - Die verbrannte Haut (Gurt, Halsband)   
Beschrijving
Boer moet weerwolf zijn, verlossing als het wolfsvel verbrandt.
Bron
J. Kleijntjens, H.H. Knippenberg. Limburgsche sagen. Uit droom- en fantasiewereld I. Leiden 1923, p. 30-38 (32-37)
Commentaar
1923
De tweede verteller is Kleijntjens, J.
Die verbrannte Haut (Gurt, Halsband)
Naam Overig in Tekst
Limburgsche   
Naam Locatie in Tekst
Blitterswijck   
Booze   
Plaats van Handelen
Blitterswijck   
Kloekenummer in tekst
L215p   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
