Hoofdtekst
In het sterke Tricht aan de Maas zetelde Monulphus als bisschop. Gold de plaats voor sterk in materieel opzicht als vesting, ook voor het godsdienstig leven vormde ze een stevig bolwerk in die streken, waar het licht des geloofs wel doorgedrongen was maar toch zeer velen ook nog zaten in de schaduw van het heidendom, onder het juk van den booze.
Moeizaam mocht het bekeeringswerk wezen en schraal bijwijlen de oogst, dat ontmoedigde den ijverigen dienaar Gods niet. Het winnen van een ziel voor den hemel stond in het boek des levens aangeteekend met gouden letter. Wie een ziel uit het moeras der onverschilligheid of dwaling had weten op te heffen in het licht, hem werd de belooning der eeuwige geneugten niet onthouden.
Als een goede herder, bezorgd voor zijne schapen, waakte Monulphus over de hem toevertrouwde geloovigen. Daarnaast echter bleef hij zijn volle aandacht en liefde schenken aan de verdoolden, de doelloos ronddwaalden of zich verstrikten in de doornenboei. En waar hij bemerkte dat zijn woord geen ingang vond, zijn prediking geene vruchten droeg, daar verinnigde hij zijn gebed en verdubbelde hij zijn ijver.
Intusschen begon hij ook den bouw eener machtige basiliek op de plek waar St. Servaas begraven was, zijn heilige voorganger in het bisschoppelijk ambt. Op die plaats moest een tempel verrijzen, de stad en de omgeving in wijden kring beheerschend, een monument in steen, ontzagwekkend en majestueus, waarvan de torens, met het kruis bespitst, de genade zouden afdwingen over deze gouwen.
Monulphus mocht echter de voltooiing van het grootsch ontwerp niet aanschouwen. De Heer riep zijn dienaar tot zich om hem te lauweren voor zijne heldendaden met den krans der gelukzaligheid.
Zijn opvolger, Gondulphus, die den leegstaanden bisschopszetel bezette, hervatte het werk van den onderbroken bouw en bracht het tot een voorspoedig einde, dank zij de gulle giften der geloovigen. Toen stierf ook hij, en zijn stoffelijk overschot werd ter ruste gelegd in den tempel naast dat van Monulphus.
Bijna tweehonderd en vijftig jaren verliepen.
Als keizer van het westen regeerde Charlemagne met vaste hand en ijzeren wilskracht. Verschillende volkstammen waren reeds door hem onderworpen en genoten de zegeningen der christelijke beschaving. Onvermoeid ijverde hij voor deugdelijker ontwikkeling door onderwijs en sociale wetten. Bijzonder belang stelde hij in de verbetering van den landbouw, de voornaamste bron van bestaan in de maatschappij van dien tijd. Had hij met de wapenen weerspannigheid bedwongen, soms ook in te grooten ijver kerstening geforceerd, dan riep zijn verziend staatsmanstalent den sluimerende krachten van het volk wakker, en met evenveel energie als zij hem bekampt hadden, werkten zij voortaan mede aan het scheppen van eener kultuur, die steunde op religieuzen grondslag en waarvan de weldadige werking overal doorstraalde. Openbaarde zich ergens een tekort, Karel overlegde met zijne raadslieden om dat zoo spoedig en zoo goed mogelijk aan te vullen. De voornamen moesten voorgaan. Bleven zij in gebreke, dan zette de keizer er zijn stuwkracht achter door ernstige vermaning, en als het moest, door gevoelige straf.
Met één volk had Karel buitengewoon veel moeite. Het waren de heidensche Saksen. Hardnekkig hielden zij vast aan hun afgodendom. Pas na verschillende veldtochten gelukte het den keizer ze onder zijn heerschappij te brengen.
Na eindelijk ook over hen te hebben gezegevierd, begaf hij zich naar zijn geliefde stad Aken. De fraaie Munsterkerk, in- en uitwendig een juweel van stijl en rijk van wandversiering en altaarornament, waaraan de talenvolste kunstenaars hun genie en liefde hadden geschonken, stond er voltooid. Thans stelde hij er prijs op, dat de inwijding zou plaats hebben met schitterende feesten en buitengemeene plechtigheid, als dank aan God voor de zichtbare bescherming, hem verleend bij zijn zwaren veldtocht tegen de oproerige stammen, over wier onderwerping hij zich eindelijk verheugen mocht.
Een ongewone drukte van vreemdelingen vervulde de straten en pleinen der stad. Van heinde en verre waren de nieuwsgierigen samengestroomd om getuige te zijn van het aangekondigde feest. Behalve het gewone volk zag met er zeer vele abdissen en abten, burchtheeren en stiftsvrouwen, baronnen, hertogen, graven, bisschoppen en prelaten, allen op z’n schitterendst uitgedost en met de teekenen van hun stand of waardigheid versierd.
Paus Leo III was dan ook zelf naar Aken gekomen om te celebreeren. Het gerucht van zijn komst had den stroom van volk nog doen aanzwellen en de verwachtingen nog opgescherpt.
’s Keizers wensch, dat de opperherder der Kerk omgeven zou zijn door een stoet van 365 bisschoppen, zooveel als het jaar dagen telde, scheen echter onvervulbaar. Hoeveel moeite hij ook gedaan had door het uitzenden zijner herauten met uitnoodigingen naar alle streken, op den vooravond van het feest waren er nog slechts 362 ter plaatse aanwezig.
Dit verdroot den keizer zeer.
Maar wat de mensch niet kan, vermag God. Hij wilde den vorst, die zich belangeloos zoovele offers getroost had in zijn dienst, niet teleurstellen. Dus zond hij een zijner engelen naar de aarde.
Het was een zoele zomernacht. Aan de lucht twinkelde het sterrengoud. Alle gerucht was verstorven. Over het landschap speelde alleen de wind in boomen en struiken een mijmerend lied.
De engel schoot vliegensvlug door de sferen heem, daalde langs de schemerige gewelven der St. Servaaskerk te Maastricht neer bij het graf der beide bisschoppen en riep met luide stem: ‘Monulphus en Gondulphus, staat op en reist aanstonds naar Aken om er de inwijding van de Munsterkerk bij te wonen. Dat gelast u God door mij, zijn gezant.”
Bij het vernemen van de boodschap des engels richtten de beide bisschoppen zich seffens op uit hun graf en gingen onverwijld, in bisschoppelijk gewaad, zooals zij daar begraven waren, langs de groote heirbaan in de richting van Aken.
Nog in den nacht kwamen zij er aan. Toen zij de kerk genaderd waren, klapperden hunne beenderen van vreugde. Zij gingen den dom binnen en namen plaats op de twee voorste zetels van de rijen, voor de hoogere geestelijkheid bestemd.
De lang verwachte morgen van het feest brak aan. Pletsend zonnelicht straalde over de blijde stad.
Biddend en lofzingend toog de bonte stoet van geestelijken en leeken kerkwaarts. Hier glom het altaar van glanzend goud en zilver, en in het koper der lampen en kandelaars vlamden de waskaarsen bij honderdtallen met geel-gulden schijnsels.
Hoe voelde de keizer zich opeens innerlijk verlicht bij het naderen van het hoogaltaar door het middenschip der kerk, versierd met kleurig vlaggedoek met schilden en kostbare tapijten. De twee restende zetels in de bisschoppelijke rijen waren ook bezet. Met voldoening maar niet geringen verwondering zag Karel dit. Twee vreemde bisschoppen waren tijdens den nacht nog aangekomen. Gelegenheid om naar hun zoo late en onverhoedsche komst te informeeren bestond er nu niet. Dat kon na afloop van de plechtigheid gebeuren. Maar toen bleken de vreemdelingen even geheimzinnig verdwenen als zij verschenen waren.
Langs denzelfden weg, dien zij kwamen, waren Monulphus en Gondulphus aanstonds na de plechtigheden weer teruggekeerd naar hunne graven in de St. Servaaskerk te Maastricht.
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Monulphus   
God   
St. Servaas   
Gondulphus   
Charlemagne   
Karel   
Leo III   
Karel de Grote   
Karel   
Naam Locatie in Tekst
Tricht   
Maas   
Booze   
Saksen   
Aken   
Munsterkerk   
Opperherder der Kerk   
St. Servaaskerk   
Maastricht   
Aachen   
Plaats van Handelen
Aken (Duitsland)   
