Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

LIMB0012 - De mummies van den St. Pietersberg

Een sage (boek), 1923

Hoofdtekst

De mummies van den St. Pietersberg
Vroeger plachten de boeren uit de omgeving van den Sint-Pietersberg te Maastricht in de donkere holten van den mergelheuvel suikerwortelen en bitterpeeën te bewaren. Die vruchten werden in het losse zand gezet, waar ze gemakkelijk tierden.
Op zekeren morgen, heel vroeg – de zon stond pas boven de kim – waren drie mannen naar den berg gegaan om een geschikt plekje te zoeken voor hun kweekerij.
Fluitend togen zij voort langs de hobbelende paden, zich verlustigend in den aanblik der romantische omgeving, want een prachtig panorama lag voor hen open in weelderige kleuren: zoover het oog reikte, bouw- en weiland in kampen afgedeeld, met de bruine lijnen der groote wegen, door zwaarlooverig geboomte aanstonds herkenbaar, en aan hun voeten de Maasstroom, zilverlichtend in sierlijke bochten het landschap doorsnijdend. Heel in de verte teekende zich flauw in blauwig waas een ander heuvelrij af.
Zoo hadden zij spoedig den ingang der groeven bereikt, een sombere donkere holte.
Hier ontmoetten zij een oude vrouw die een brandende kaars in de hand droeg. Het flakkerend licht tooverde allerlei grillige vormen als onheilspellende schimmen op den mergelwand.
Het spichtig uiterlijk der oude wekte den spotlust der jonge kerels. Nijdig fonkelden hare scherpe grijze oogen uit het verrimpeld tanig gelaat, dat gedeeltelijk schuilging onder een rooden hoofddoek.
“Wat komen jullie hier zoo vroeg doen?” vroeg zij de landlui.
“ons wat vermaken,” antwoordden de grappenmakers. “Wat gaat het jou overigens aan, wat wij hier uitvoeren?”
“ik denk dat jullie je plezier wel op kunnen,” mompelde de oude als bescheid op dien brutalen uitval. En toen was zij opeens verdwenen.

De boeren lachten en schertsten, zonder ver meer te denken aan den wauwelpraat van het vrouwspersoon, die zij voor een landloopster hielden, want er hield zich meer van dat volk daar in de buurt op, daar de krochten van den berg een gemakkelijk en goedkoop onderdak verschaften aan zulke zwerfvogels.
Zij drongen met hun drieën al verder en de hooggewelfde gangen in, na een eindje kaars ontstoken te hebben, bij het schijnsel waarvan zij zochten naar geschikte plekken voor de vruchtenteelt.
Lange duurde het, eer zij terrein naar hun gading hadden gevonden. Toen zij eindelijk geslaagd waren, wilden zij den terugtocht aanvaarden. Maar tot hun schrik bemerkten zij dat zij den weg bijster waren. Hoe ze ook zochten, zij vonden den uitgang van den berg niet.
Zoo dwaalden zij drie lange dagen rond door de spelonken, drie dagen die hun een eeuwigheid leken. Angstig tastten zij in het zware donker langs de kale kille wanden, nu eens struikelend over een steenklomp, dan weer wegzakkend in een kuil. Het was een wanhopige tocht, die met het uur schrikwekkender werd. Want het weinige eten, waarover zij beschikten, was spoedig opgeteerd, zoodat de hongerdood hun tegengrijnsde als een tergende verschijning in de poozen van gedwongen rust door vermoeienis en uitputting. Hunnen jammerklachten weerklonken als akelige huilgeluiden somwijlen langs de gewelven, maar werden gesmoord door de eindeloosheid der gangen.
Aarzelend strompelden zij voort, telkens langer rustend. Hunnen beenen vermochten hen bijna niet meer te dragen. Bleef een wat achter, dan wachtten de anderen hem op, want in elkaars gezelschap vonden zij nog eenigen troost, terwijl zij elkander voortdurend bemoedigden, dat toch wel spoedig hulp zou komen opdagen van verwanten of kennissen, die wisten van hun gaan naar den berg en wie hun wegblijven toch opvallen zou.
Maar de verwachte hulp bleef uit.
Hun toestand werd steeds hachelijker.
Een hunner kon eindelijk niet meer verder. Alle kracht had hem begeven. Bewusteloos zonk hij neer. Vergeefs riepen de beide anderen hem bij zijn naam. Toen geen antwoord meer vernomen werd, drong zich het denkbeeld van den dood, wiens greep ook hen beklemde.
Op eenigen afstand van zijn veegen makker zeeg ook de tweede neer.
In sukkelgang strompelde de sterkste nog een eindje voort, met de linkerhand zorgzaam den wand betastend. Doch ook hij voelde zich uitgeput en raakte van de been.
Jaren nadien pas werden de ongelukkigen gevonden door personen, die in deze bijna nooit bezochte gangen van den berg voor een onderzoek doordrongen. Als verschrompelde mummies vond men hunne lijken, de schoenen nog aan de voeten, den rozenkrans tusschen de vingers gestrengeld.

Beschrijving

Drie boeren bespotten een oude vrouw voordat zij een mergelgrot ingaan. Zij verdwalen, sterven doordat er geen hulp komt, en worden jaren later als mummies gevonden.

Bron

J. Kleijntjens, H.H. Knippenberg. Limburgsche sagen. Uit droom- en fantasiewereld I. Leiden 1923, p. 70-74.

Commentaar

1923
De tweede verteller is Kleijntjens, J.

Naam Overig in Tekst

Maasstroom    Maasstroom   

Naam Locatie in Tekst

Sint-Pietersberg    Sint-Pietersberg   

Maastricht    Maastricht   

Plaats van Handelen

Maastricht    Maastricht   

Kloekenummer in tekst

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20