Hoofdtekst
Alina en de boze hertog
Het oude hertogdom Wieland bestaat al eeuwen niet meer, maar ooit was het wijd en zijd beroemd om zijn borduurwerk. Van heinde en ver reisden de opkopers naar Wieland, maar zoals het altijd en overal gaat: de arme borduurwerkers maakten wel goed geld van hun werk, maar naast elke opkoper stond een ontvanger van de hertog en die inde meteen maar de belasting op de verkoop. Belasting? Zeg maar beroving, diefstal, net zoals het nu nog altijd in sommige ons welbekende landen helaas de gewoonte is. En zo bleven de arme borduurders van het hertogdom Wieland altijd even arm, en de hertog werd almaar rijker.
Zekere dag ging het verhaal dat in Achteraf, het allerverste uithoekje van het hertogdom, een meisje, Alina geheten, ongelofelijke borduurwerkjes kon maken, ook al was ze op de eerste dag van de zomer nog maar vijftien jaar jong geworden. De opkopers met de beste neus repten zich te vierklauwens naar Achteraf en inderdaad, zulk prachtig borduurwerk hadden ze nog nooit aanschouwd. Natuurlijk reisde in hun spoor de beste belastingontvanger van de hertog. En toen die diezelfde avond nog aan de hertog het geld overhandigde dat hij bij Alina had gebeurd, stond zelfs zijn meester stomverbaasd te kijken naar die overvloed, en dat alles dankzij het borduurwerk van een meisje, euh… hoe oud zei je ook weer?
‘Amper vijftien, heer,’ antwoordde de ontvanger. ‘En mag ik er aan toevoegen dat ze een pracht van een jongedame is, eigenlijk té mooi om in zo’n achtergat te leven?’
‘Mm,’ knikte de hertog, terwijk hij zijn sikje streelde. ‘Weet je wat? Ik nodig haar uit op mijn kasteel. Rijd haar in een van mijn koetsen hierheen, maar niet in de mooiste, want die houd ik voor me zelf alleen.’
En zo gebeurde het dat Alina op een dag naar het kasteel werd gereden in een van de mindere hertogelijke koetsen, getrokken door een amechtig paard, dat alleen nog goed was voor het slagersmes. Bovendien regende het oude wijven en de koets was lang niet waterdicht, zodat die arme Alina bibberend van kou, ellende en nattigheid, tot bij de hertog werd geleid.
Deze ontstak in een kattenkoleire.
‘Wat!’ bulderde hij. ‘Wie heeft het aangedurfd deze jongedame hierheen te brengen in zo’n wegwerpkoets met een wegwerppaard? Jij, ontvanger, is dat jouw werk? Wachters, gooi hem in de vergeetput! En jij, lieve Alina, mijn allergrootste excuus.’
Alina was overdonderd en wist niet wat zeggen of doen. Daar kwamen al vier kamermeisjes aanlopen. Ze leidden Alina naar een kamer die blonk van zilver en goud. Ze hielpen haar uit haar vieze, natte kleren, maakten haar een bad klaar van geparfumeerd water en nadien kleedden ze haar met het duurste linnen en bijna onbetaalbare zijde.
‘Maar… maar dat hoeft toch niet,’ stamelde Alina. ‘Ik ben maar…’
‘Niet alleen de beste borduurster van mijn rijk, maar tevens de mooiste jongedame die ik ken!’ lachte de hertog.
Ze moest aanzitten aan zijn tafel en terwijl hij zijn sikje streelde, hield hij geen oog van haar af. Maar ze durfde niets te zeggen, proefde een stukje van dit en een nipje van dat, en het enige wat ze verlangde was terug te keren naar haar ouders, in een van de kleinste huisjes van Achteraf. Want dit kasteel was niet haar wereld, daar zou ze nooit aan wennen.
En zo gingen de dagen. Ze maakte, eigenlijk tegen haar zin, borduurwerkjes, maar dan kwam de hertog haar halen voor een wandeling in het uitgestrekte park, hij overlaadde haar met geschenken, maar ze wist dat hij die verkregen had door arme luiden uit te schudden, bijna zo erg als nu nog in bepaalde landen die we allen goed kennen.
En ja, het stond al in de sterren geschreven: op een helemaal niet mooie dag, zei de hertog haar, dat hij haar als zijn vrouw zou nemen en hij bood haar een kroon aan van goud, versierd met edelstenen. Maar toen hij haar wilde kussen weerde ze hem af en toen werd hij kwaad, hij gaf haar een oorvijg waar ze van duizelde en riep uit dat ze zijn eigendom was en dat hij met haar zou doen wat hij wilde. En zo gebeurde het. Een jaar lang was ze zijn speeltje. Ze lachte nooit meer, maakte geen borduurwerkjes meer en ze verging als sneeuw voor de zon.
Tot de hertog haar beu was en beval dat ze nog één nacht in zijn kasteel mocht blijven, maar bij het ochtendgloren terug naar Achteraf zou gevoerd worden in zijn allerslechtste koets, getrokken door een knokenpaard dat elk moment ter aarde kon storten.
In die nacht maakte ze af, wat ze al zo lang had overwogen. Ze stak de hertog met zijn eigen dolk in het hart, hij schreeuwde het uit van pijn en angst, en keek haar aan met uitpuilende ogen, maar daarover weefde de dood al gauw een vliesje.
Toen stormden de wachters binnen, maar Alina stond daar, een bleek spook leek ze, dat een mysterieuze kracht uitstraalde, en ze weken voor haar terug. Ze beval een paard te zadelen voor haar. Dat deden ze. Ze klom in het zadel en vierde de teugel, en het ros stormde weg, de sterrenloze nacht in, en nooit heeft men nog een spoor van haar gevonden. Alleen in de Bamistijd, bij de eerste volle maan van de herfst, zie je haar soms voorbij flitsen en hoor je de hoeven van haar paard de rotsige bodem slaan.
Ach, ook hier heeft de brute macht van een man, die geen macht waard was, een jong, veelbelovend leven in de knop geknakt. En dat dit ook nu nog gebeurt in zekere landen, die we allemaal kennen. En wat doen we eraan?
Beschrijving
Een hertog, die gretig belasting heft, haalt een knappe borduurster naar zich toe en wil met haar trouwen. Na enige tijd is hij haar weer beu, maar voordat ze vertrekt, steekt ze de hertog met een dolk in zijn hart. Ze verdwijnt op een paard en wordt alleen in de herfst nog als schim waargenomen.
Bron
Ingezonden in de Nederlandse Volksverhalenbank van het Meertens Instituut
Commentaar
25-02-2011 11:56
Naam Overig in Tekst
Alina   
Bamistijd   
Wieland   
Achteraf   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:21
