Hoofdtekst
De rietdekker en de huisgeest
Rietdekker Martijn was drie maanden lang op toer geweest om enkele rieten daken te leggen, en kon nu eindelijk nog eens huistoe, benieuwd hoe Jacoba, zijn vrouw, en hun vier kinderen het gesteld hadden tijdens zijn afwezigheid. Het was een mooie herfstdag in september en al van ver zag Martijn hoe een paar van zijn kinderen voor het huis aan het spelen waren in het zonnetje. Een van hen kreeg zijn vader in het oog, wuifde eens en holde daarna vlug naar binnen, waarna even later Jacoba naar buiten kwam en, met haar hand boven haar ogen, uitkeek naar haar man.
‘Dag allemaal!’ riep hij lachend. ‘Hier ben ik dan weer! Ik heb goed verdiend en nu blijf ik een poosje thuis.’
Maar het kwam hem voor dat met Jacoba niet alles was zoals het hoorde. Eigenlijk voelde hij dat meer dan hij het zag.
‘Wel, lieve vrouw, is er iets?’ wilde Martijn weten. ‘Ben je ziek? Of...’
‘Nee, mij mankeert niets, lieve man,’ antwoordde ze. ‘Ik ben gezond, onze kinderen ook, dat zie je wel, en we hebben niets te kort gehad tijdens je afwezigheid. En ja, ik ben heel, héél blij dat je weer thuis bent.’
‘Dat is dan niets anders dan goed nieuws,’ knikte hij opgetogen en gerustgesteld.
Maar toen na het middageten de vier kinderen naar het veld trokken om daar achtergebleven aardappelen te zoeken, kon Jacoba eindelijk vertellen wat ze op het hart had.
‘Ik heb niets willen zeggen met de kinderen erbij,’ zuchtte ze, ‘maar, lieve man, ik vrees dat we opgezadeld zitten met een huisgeest...’
Martijn zat een ogeblik als van de hand gods geslagen, maar hij vermande zich vlug. ‘Een huisgeest? Ben je daar zeker van?’
‘Zo goed als,’ antwoordde ze. ‘Het is precies een week geleden begonnen. Even voor zonsopgang. De kinderen sliepen nog rustig. Ik lag tussen waken en slapen nog even te soezen, tot opeens iets kietelde aan de grote teen van mijn rechtervoet. Ik wilde met mijn linkervoet over de gekietelde teen wrijven, maar toen kwam die voet...’
‘Je bedoelt je linkervoet?’
‘Natuurlijk. Wat anders? Dus toen kwam mijn linkervoet terecht in iets als een ijzeren boei en wat ik ook probeerde, ik kon me niet losmaken. Ik moet gegild hebben, want opeens kwam Mie, onze oudste, bij mijn bed staan, met grote schrikogen vragend of ik erg ziek was.’
‘Dus heb je het haar verteld?’
‘Nee. Want precies op het moment waarop ze me dat vroeg was mijn voet weer los en mijn teen jeukte niet meer en het was zo rustig alsof er helemaal niets was gebeurd.’
‘Ach, misschien had je wel een kwalijke droom, lieve Jacoba, zo tussen waken en slapen in?’ veronderstelde Martijn.
‘Dat dacht ik ook. Maar nadien was ik er zeker van dat ik niet had gedroomd. Al een week lang word ik geplaagd door iets, en altijd wanneer de kinderen er niet bij zijn of wanneer ze diep slapen.’
‘Dan moet het een grotemensenhuisgeest zijn,’ zei Martijn op sombere toon. ‘Zeg eens, heeft hij je nog gekieteld?’
‘Zwijg erover. Soms word ik gek van de jeuk.’
‘Enne... altijd aan je tenen?’
‘Nee. Zowat overal aan mijn lijf. En je weet hoe kietelachtig ik wel ben. Als je al één vinger naar me uitsteekt om me te plagen, dan begin ik al te kronkelen. Ach, lieve man, wat moeten wij daar aan doen?’
Martijn keek op naar het gebinte van hun huisje, dat hij had afgedekt met het mooiste riet dat hij had kunnen vinden.
‘Daar moet hij zich ergens in verbergen,’ gromde hij. ‘Maar ik zal hem vinden!
En, lieve Jacoba, het is goed dat je de kinderen erbuiten hebt gelaten.’
Na het eten pakte Martijn een essenhouten ladder, zette ze tegen de muur van zijn huis en klom op naar het rieten dak. Op het eerste gezicht was er niets speciaals te zien. Op de nok stond nog altijd het kruisje, gemaakt van een tak van hazelaar en een tak van vlier. Daarmee weerde je het hemelvuur af en bovendien maakte het de Wilde Jager, die bij noodweer door de lucht raasde, machteloos.
‘Ik heb het dak tot in de puntjes nagezien,’ zei hij toen hij terug op de begane grond was. ‘Alles is in orde.’
‘Maar het is niét in orde,’ wierp Jacoba op. ‘En dat weet je...’
Hij nam haar in zijn armen en fluisterde in haar oor: ‘Lieve Jacoba, ik moet nu even terug op pad. Ik mag je niet zeggen wat ik ga doen of waarheen, want als de huisgeest het hoort, helpt het niet meer.’
‘Ik ben zo bang, Martijn!’
‘Sst, rustig maar. Vertrouw op me. Ik zal me heel hard haasten.’
Toen pakte hij een lege geriefzak, stak er een mes en een haak in, gooide de zak over zijn schouder en stapte weg door de velden, god weet waarheen. Hij liep twee dagen, sprak af en toe met mensen en ten slotte kwam hij uit waar hij wezen moest: een plek waar men oude, afgeleefde paarden slachtte. De slachter was een verschrikkelijk vieze man, maar toen Martijn hem had verteld waarvoor hij gekomen was, en hem bovendien twee daalders betaalde, kreeg de rietdekker wat hij wenste. Hij stak het in zijn geriefzak, bij zijn mes en zijn haak en zonder rusten repte hij zich naar huis.
Daar vond hij Jacoba, een beetje gek van angst, maar toen ze Martijn zag, vloog ze hem om de hals en ze kneep hem bijna half dood.
‘Wacht, wacht,’ bromde hij. ‘Ik heb wat ik moest hebben. Nu is het uit met die vervloekte huisgeest.’
En hij pakte zijn essenhouten ladder, klom naar het rieten dak, en diepte uit zijn geriefzak een bloederige schedel van een paard op, met de ogen er nog in, en die maakte hij met sterke strengen riet vast aan de nok van het dak, en het paard keek met verglaasde ogen naar zijn nieuwe verblijfplaats en naar de huisgeest, die even kwam piepen, maar die met een ijselijke gil ervandaan vluchtte. En hij heeft die arme Jacoba nooit meer gekieteld, want een paardenkop is voor een huisgeest gelijk het laatste oordeel voor ons, wanneer de kwaden van de goeden zullen gescheiden worden door de Engel met de Trompet, en wanneer al wat ooit mens is geweest, zijn uiteindelijke bestemming zal kennen: de glorie van de hemel, of het eeuwige hellevuur, waarvoor God mezelf, alsmede mijn lieve Jacoba en mijn vier kinderen, beware, amen.
Beschrijving
Als de rietdekker naar huis keert, blijkt zijn vrouw geplaagd te worden door een huisgeest. De rietdekker gaat naar de paardenslager en krijgt een paardenschedel met de ogen er nog in. Als de schedel onder het dak wordt geplaatst, slaat de huisgeest op de vlucht
Bron
Ingezonden in de Nederlandse Volksverhalenbank van het Meertens Instituut
Commentaar
25-02-2011 14:53
Naam Overig in Tekst
Martijn   
Jacoba   
Wilde Jager   
Wilde Jacht   
Engel met de Trompet   
God   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:21
