Hoofdtekst
Kobe de lettergieter
Kobe was de beste lettergieter van de hele streek tussen de Koekestad en het Armeluizenland. Alle drukkerijen van enige standing wilden alleen maar werken met zijn letters. Dat betekende werk zoveel hij ook maar aankon – en meer dan dat. Hij had weliswaar geprobeerd om een aantal medewerkers aan te werven, maar hij eiste zoveel van hen als van zichzelf, en dat pakte niet. Hij had zelfs gepoogd om van Trien, zijn eigen vrouw, een goede letterzetster te maken. Na een week gooide ze haar mislukte loden letters naar zijn kop en het scheelde niet veel of ze nam haar biezen, terug naar haar moeder, die hem kwam uitschelden voor slavendrijver en beul.
Daar raakte Kobe natuurlijk van in de put. Hij verwaarloosde zijn werk, de drukkerijen morden dat het niet schoon meer was, ach was hij maar liever beerruimer geworden dan lettergieter...
‘Beerruimer?’ weerklonk opeens een piepstemmetje. ‘Jij een beerruimer? Daarvoor met je wel krankzinnigzotkrankjorum zijn!’
Kobe schrok zich te pletter. ‘Wie spreekt daar?’ bibberstemde hij, want hij dacht dat het een spook was en spoken waren nu eenmaal Kobes zwakke punt.
‘Neeneenee, ik ben geen spook,’ weerklonk het. ‘Kijk, aan je voet!’
En wat kreeg hij te zien? Een grote troep muizen, misschien wel elfendertig, en helemaal vooraan stond Miemuis, die hem aangesproken had.
Kobe dacht dat hij droomde, maar Miemuis beet eventjes in zijn grote teen en aangezien hij dat voelde, wist hij dat hij helemaal niet in een gekke droom was verzeild.
‘Luister, Kobe,’ zei Miemuis. ‘Als je wilt, dan kunnen we je uit de penarie halen. Alle muizen hier hebben je, in de loop van de jaren, afgeloerd en geloof me, betere stempelmakers vind je nergens tussen de Koekestad en het Armeluizenland. Hé, jongens, laat eens wat zien!’
En kijk, een aantal muizen kwam aandraven met perfect gemaakte stempels. De letters hadden ze uitgevreten met hun fijne tandjes.
‘Wel, wat denk je ervan, Kobe? Staat het je aan?’
‘Dat is... dat is... nondedommenondevlam,’ was alles wat hij in opperste verbazing kon zeggen.
‘Maar,’ zei Miemuis. ‘Daar moet voor ons ook wat aan vast zitten. Ik stel voor dat je ons alle dagen een maaltje bezorgt: een ons kaas, een halve ons brood. Akkoord?’
En zo gebeurde het. Nu hij geen stempels meer moest maken, kon Kobe al zijn tijd besteden aan de matrijzen en het gieten van de letters. In geen tijd was hij opnieuw in staat om te voldoen aan de overvloedige vraag van de drukkerijen. Het spreekt vanzelf dat hij zijn muizenvolkje verwende met lekkere hapjes kaas en brood zoveel ze opkonden. En hij waakte er met zorg over dat geen kat ook maar één poot kon neerzetten in zijn bedrijf. En omdat Trien een hemelse schrik van muizen had, durfde ze voor de dooie dood Kobes werkplaats niet meer te betreden. Zo kon hij werken in de grootste peis en vree. Zodat het spreekwoord bewaarheid werd: ‘Wie als ambachtsman muizen heeft, wordt nooit op zijn handen gekeken door zijn vrouw.’
Beschrijving
De lettergieter is te veeleisend en kan geen medewerkers krijgen. Uiteindelijk wordt hij geholpen door dierhelpers: muizen.
Bron
Ingezonden in de Nederlandse Volksverhalenbank van het Meertens Instituut
Commentaar
25-02-2011 14:55
Naam Overig in Tekst
Koekestad   
Armeluizenland   
Miemuis   
Naam Locatie in Tekst
Kobe   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:21
