Hoofdtekst
Het kantwerkstertje en de engel
Toen Jozefientje ontwaakte voelde ze zich ellendig. De hele nacht lang was ze gekweld geweest door een hardnekkige, droge hoest. Zo erg was het nog nooit geweest. Het leek wel alsof binnen in haar borstkas iets stuk gescheurd was. Na elke felle hoestbui deed het hoe langer hoe meer pijn.
‘Jozefientje, het is tijd, kind.’
Bertha, haar moeder, sloeg het uitgerafelde deken weg en hielp haar dochtertje opstaan.
‘Ze heeft me de hele tijd wakker gehouden met al dat hoesten,’ zeurde Johanna, een van de drie jongere zusjes van Jozefientje. ‘Ik wil nooit meer bij haar slapen!’
‘Ach kind,’ zuchtte Bertha.
‘En ik heb honger!’ riep Bart, de tweelingbroer van Jozefientje, uit.
‘Jaja, loop maar naar de keuken,’ zei Bertha. ‘Ik kom zo dadelijk. Gaat het een beetje, Jozefientje? Hé, het gaat al wat beter?’
Ze streelde haar dochter over de haren en voelde dat het kind gloeide van de koorts. Maar er bestond geen uitweg. Het loon van Jozefientje, hoe gering ook, kon onmogelijk gemist worden. Ach, wat een armemensenleven… Zeven kinderen, een man die alle dagen moest gaan bedelen om werk en als hij dan wat verdiend had, kwam hij soms dronken thuis. En nu Jozefientje, haar oudste dochtertje, heel erg ziek. Over twee weken zou ze haar communie doen.
‘Toe, kind, ik zal je wat melk warmen. En een boterhammetje met spekkevet. Dat is kloek, daar word je zéker beter van, Jozefientje.’
Wat later daalde Jozefientje hoestend de trappen af naar de donkere, vochtige kelder, de plek waar ze elke werkdag twaalf en soms veertien uren aan het kantklossen was. Daarmee verdiende ze een schamel loontje: één frank per dag en, bij uitzondering, anderhalve frank, maar dan wel wanneer ze een buitengewoon fraai kantwerkje afleverde.
Ze ging zitten op haar stoel en stak de kaars aan, waarvan het licht door een met water gevulde glazen bol viel en vandaar op het kantkussen. Ze boog zich over haar kantwerkje. Ze wilde een speld verzetten, maar toen werd ze overvallen door de ergste hoestbui die ze ooit had gehad. En opeens zag ze tot haar verbijstering dat een deel van haar kantwerkje bloedrood was. Ze veegde haar mond af met haar rechterhand: ook aan haar vingers zat bloed. Was dit het einde? Ging ze hier een ellendige dood sterven? Had ze ergens niet gehoord dat bloed spuwen het allerlaatste was?…
Ze voelde zich zó ellendig en radeloos, dat ze wenend uitriep: ‘Sint-Anna, Sint-Anna, alleen jij kunt me nog redden…’
En zie, opeens begon een helder licht te stralen door de donkere kelder. In dat licht verscheen een engel, die naar haar wuifde.
‘Dag Jozefientje. Ik ben jouw bewaarengel. En Sint-Anna heeft me gevraagd om je eens mee te nemen op een reisje naar het mooiste land dat bestaat op, onder en boven de wereld. Maar kijk eens aan, door me te haasten bleef ik hangen met mijn linkervleugel…’
De engel toonde de vleugel, waarvan de veren aan het boveneinde inderdaad een beetje uitgerafeld waren.
‘Zou jij dat kunnen herstellen, Jozefientje? Je bent toch een van de allerbeste speldewerksters? Zo snel en handig met draad en klosjes.’
Toen ze wat van haar verbazing bekomen was, bekeek Jozefientje de engelenvleugel van nabij.
‘Ik kan daar een lapje kantwerk op naaien,’ zei ze.
‘Knap van je, Jozefientje! Doe het maar gauw, dan kunnen we samen op reis! Kijk, dat stukje kant daar, op je kussen.’
‘O,’ stamelde Jozefientje. ‘Dat kan niet, bewaarengel… Kijk, ik heb er bloed op gespogen en het kant is rood in plaats van wit.’
‘Dat is helemaal niet erg,’ wuifde de engel met zijn goede vleugel. ‘Integendeel: geen enkele engel heeft een vleugel met een stukje helder rood - behalve ik! Doe maar!’
Jozefientje aarzelde nog even, maar maakte toch haar onvoltooid, met bloed gekleurd kantwerkje los van het kantkussen en naaide het met fijne steekjes over het uitgerafelde deel van de engelenvleugel.
‘Bedankt, Jozefientje!’ lachte de engel, die in de wolken was van tevredenheid. ‘Wacht, ik probeer het eerst nog eens uit.’
Hij deed even zijn vleugels klapperen en vloog een eindje door de kelderruimte.
‘Pas maar op dat je nergens tegenaan vliegt,’ waarschuwde Jozefientje hem.
Maar hij landde lachend en ging naast haar staan.
‘En nu zijn we weg, Jozefientje! Klim op mijn rug, hou je vast aan mijn schouders en sla je benen om mijn middel. Gaat het?’
‘Er is nog iets,’ aarzelde ze.
‘Zo? En wat is er dan?’
‘Ik kan niet vertrekken van hier,’ zuchtte ze. ‘Mijn moeder heeft het geld dat ik verdien hard nodig. Ze kan echt niet zonder…’
Maar de engel wuifde alweer met zijn linkervleugel.
‘Daar is voor gezorgd, Jozefientje!’ riep hij. ‘Kijk!’
En hij legde een beurs, gevuld met goudstukken, op haar kantkussen.
‘Je ouders en je broers en zusjes zullen nooit meer honger lijden,’ zei hij nog. ‘En nu, klaar, Jozefientje?’
‘Ja,’ glimlachte ze.
En toe vlogen ze weg, dwars door muren en zolderingen en dakpannen heen, en door de hemelsblauwe lucht, naar een ver land, waar je alleen maar gelukkig kunt zijn. Daar kan Jozefientje, gewoon voor haar plezier, kantwerkjes maken met de toveressesteek. Die werkjes krijg je soms te zien wanneer het gerijmd heeft en de bewaarengel ze drapeert op de haag, achter in je tuin; maar ze zijn zo fijn en teer, dat ze verdwijnen wanneer je ze aanraakt.
Beschrijving
Een jong meisje is kantwerkstertje, maar ook erg ziek. Bij het hoesten spuwt ze bloed. Ze roept Sint Anna aan om hulp. Er arriveert een engel die haar een mooie wereld wil laten zien. Het meisje naait een lapje kant op de gehavende vleugel, de bewaarengel laat een beursje met goud achter, en neemt het meisje mee naar de mooiste plek waar ze altijd mag blijven: de hemel.
Bron
Ingezonden in de Nederlandse Volksverhalenbank van het Meertens Instituut
Commentaar
25-02-2011 14:57
Naam Overig in Tekst
Jozefientje   
Bertha   
Johanna   
Sint Anna   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:21
