Hoofdtekst
In Eksel, een dorpje in de Belgische Kempen, zat eens op een avond een boer met zijn knecht te drinken in een herberg. Ze hadden al behoorlijk wat op en zoals dat gewoonlijk gaat als men iets te veel gedronken heeft, begonnen ze te zwetsen en te snoeven. Omdat ze voor elkaar niet onder wilden doen, besloten zij tot twaalf uur in de herberg te blijven en daarna naar het kasteeltje te gaan dat tegenover de herberg stond, slechts een goede vijftig meter van de herberg af. Iedereen zei dat het in dat kasteeltje iedere nacht spookte. Dat was ook zo, maar de boer en zijn knecht, overmoedig geworden door de drank, wilden het zelf wel eens aan den lijve ondervinden.
Toen de torenklok zijn twaalf machtige slagen door het donkere luchtruim slingerde, stonden de boer en zijn knecht op en togen naar het kasteeltje. In het kasteeltje woonden geen mensen meer, het was meer een ruïne dan een kasteel, dus daar hoefden ze al niet bang voor te zijn.
Nauwelijks waren de twee helden het kasteeltje genaderd, of beiden lieten een kreet van schrik horen, maar bijna op hetzelfde ogenblik nam hun overmoed weer de overhand.
Nadat ze de kreet van schrik uitgestoten hadden, kwam vanuit de ruïne dezelfde kreet als een echo terug. Op hetzelfde moment werden alle vensters van het kasteeltje verlicht, ramen gingen open en men hoorde binnen een vrolijk gezelschap met spel, muziek en gezang. En nauwelijks een minuut later kwam uit een deur van het slotje een deftige heer naar buiten, gekleed in ouderwetse klederdracht.
Dit deftig heerschap nodigde de boer en zijn knecht uit een glas wijn te komen drinken.
Dat lieten zij zich geen tweemaal zeggen en ze namen het aanbod vlot aan. De boer zei zelfs, in zijn dronken overmoed: 'Een goed glas wijn laten we ons niet ontgaan, zelfs niet in het spookuur temidden van vijfentwintig spoken!'
De vriendelijke heer, die over zijn ouderwetse klederdracht een zwarte mantel droeg en een breedgerande hoed, met daarop een veer, bracht toen twee prachtige gouden bekers, gevuld met de kostelijkste wijn. Deze gaf hij aan de boer en zijn knecht.
Zij lieten zich de wijn goed smaken. Ze hadden plezier voor twee en dachten niet eens meer aan spoken of geesten.
Maar plotseling sloeg vanuit het dorp de torenklok zes uur. Even later zong het Angelus over de velden. De morgenstond was aangebroken.
Op hetzelfde moment dat het Angelus klepte voelden de boer en zijn knecht een zware luchtdruk, veroorzaakt door een plotseling opkomende wind. Op hetzelfde moment gingen alle lichten van het kasteeltje uit en hulde de omgeving zich in het schemerdonker van de morgen.
Toen de boer en zijn knecht voor de zoveelste maal de gouden bekers naar hun mond brachten, hielden ze tot hun grote schrik in plaats van een gouden beker ieder een doodskop in de hand.
De boer en zijn knecht waren door dit avontuur weer geheel nuchter geworden. Zij wierpen de schedels vol afschuw van zich af en renden zo snel ze konden naar het dorp terug.
Toen de torenklok zijn twaalf machtige slagen door het donkere luchtruim slingerde, stonden de boer en zijn knecht op en togen naar het kasteeltje. In het kasteeltje woonden geen mensen meer, het was meer een ruïne dan een kasteel, dus daar hoefden ze al niet bang voor te zijn.
Nauwelijks waren de twee helden het kasteeltje genaderd, of beiden lieten een kreet van schrik horen, maar bijna op hetzelfde ogenblik nam hun overmoed weer de overhand.
Nadat ze de kreet van schrik uitgestoten hadden, kwam vanuit de ruïne dezelfde kreet als een echo terug. Op hetzelfde moment werden alle vensters van het kasteeltje verlicht, ramen gingen open en men hoorde binnen een vrolijk gezelschap met spel, muziek en gezang. En nauwelijks een minuut later kwam uit een deur van het slotje een deftige heer naar buiten, gekleed in ouderwetse klederdracht.
Dit deftig heerschap nodigde de boer en zijn knecht uit een glas wijn te komen drinken.
Dat lieten zij zich geen tweemaal zeggen en ze namen het aanbod vlot aan. De boer zei zelfs, in zijn dronken overmoed: 'Een goed glas wijn laten we ons niet ontgaan, zelfs niet in het spookuur temidden van vijfentwintig spoken!'
De vriendelijke heer, die over zijn ouderwetse klederdracht een zwarte mantel droeg en een breedgerande hoed, met daarop een veer, bracht toen twee prachtige gouden bekers, gevuld met de kostelijkste wijn. Deze gaf hij aan de boer en zijn knecht.
Zij lieten zich de wijn goed smaken. Ze hadden plezier voor twee en dachten niet eens meer aan spoken of geesten.
Maar plotseling sloeg vanuit het dorp de torenklok zes uur. Even later zong het Angelus over de velden. De morgenstond was aangebroken.
Op hetzelfde moment dat het Angelus klepte voelden de boer en zijn knecht een zware luchtdruk, veroorzaakt door een plotseling opkomende wind. Op hetzelfde moment gingen alle lichten van het kasteeltje uit en hulde de omgeving zich in het schemerdonker van de morgen.
Toen de boer en zijn knecht voor de zoveelste maal de gouden bekers naar hun mond brachten, hielden ze tot hun grote schrik in plaats van een gouden beker ieder een doodskop in de hand.
De boer en zijn knecht waren door dit avontuur weer geheel nuchter geworden. Zij wierpen de schedels vol afschuw van zich af en renden zo snel ze konden naar het dorp terug.
Onderwerp
SINSAG 0477 - Begegnung mit Geistern.   
Beschrijving
Een boer en zijn knecht gaan om middernacht naar een spookkasteel, waar zij de uitnodiging van een voornaam heer om een glas wijn te drinken, aannemen. Als om zes uur het Angelus slaat voelen de mannen een zware luchtdruk en gaan alle lichten uit. Als zij weer uit de gouden bekers willen drinken hebben ze een doodskop in de hand.
Bron
B. Janssen: Het Dansmeisje en De Lindepater – Sagen en legenden uit Kempen, Meierij en Peel. Maasbree 1978, p.130-131.
Commentaar
1978
Begegnung mit Geistern
Naam Overig in Tekst
Belgische   
Naam Locatie in Tekst
Eksel   
Kempen   
Angelus   
Plaats van Handelen
Eksel (BeLb)   
Kloekenummer in tekst
L353p   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
