Hoofdtekst
In deze streken is 'de Gloeiige' algemeen bekend en vroeger dikwijls gezien; ook nog op andere plaatsen dan nabij "t Klotven'. Tegenwoordig vertoont hij zich maar zelden meer, wat toch wel een beetje vreemd is en - jammer ook! Hildebrand, in zijn Camera obscura spreekt van 'ons beter licht' en zegt er razend spijt van te hebben, dat er geen spoken zijn.
Ja, alles moet natuurlijk zijn, anders verstout men zich maar driestweg er niet aan te gelooven. Dat deed ook Geert die met zijn kameraad over de groote baan van Aalst op kar, heide, Leende reed. 't Was stikdonker in den winteravond. Geert en zijn metgezel, belden een beetje boven theewater en vol goeden moeds, zaten zoo rustig als de hotsende kar 't toeliet, onder de grove linnen huif hun pijpje te smoren. 't Gesprek liep in de eenzame heide al spoedig over spoken en natuurlijk ook over 'de Gloeiige'. 'Ik zij nerges nie bang af,' zei Geertboer, 'al hwamp me hier in de haai de gloeiige eiges teige'. Hij had 't woord nauw geuit, of dwars over den weg kwam een licht op hen aan ('t was natuur lijk 'de gloeiige'); 't zette zich boven op 't haam van 't paard en - voort ging 't in onstuimige vaart, dat hooren en zien verging! Of beiden ook bang waren. 't Koude zweet brak hen uit, ze wisten niet hoe ze waren thuis gekomen en tot mijn spijt kan ik 't u dus ook niet vertellen, maar - dit heb ik Geertboer wel honderdmaal hooren zeggen: 'dè z'n hart gjen boun grout meir waor!'
Onderwerp
SINSAG 0478 - Andere Erlebnisse; unbeschreibbare Spukerscheinungen.   
Beschrijving
Bron
Motief
F497 - Fire-spirits.   
Commentaar
NA 1889: 191-192. Bewerking: Sinninghe 1933: 43 (no. 49). S.S211.1; LS B151 Lichterscheinung.
1. Schoolmeester en essayist. Verhalen vanuit Zeelst verzameld Opgetekend, verzameld en in vorm gegoten door Jacques Cuijpers (1850-1926), hoofdonderwijzer te Zeelst. Gepubliceerd in het Tijdschrift voor Noordbrabantsche Geschiedenis, Taal- en Letterkunde (TNG) I (okt. 1883 - okt. 1884), II (okt. 1884 - okt. 1885), en de Noordbrabantsche (Volks-) Almanak (NA), beide onder redactie van August Sassen. Cuijpers was goed bevriend met Sassen. Met hem en anderen placht hij wandelingen door de Noordbrabantse Kempen en de Peel te maken, waarbij onder meer aandacht werd geschonken aan de plaatselijke volkscultuur. De lichte spot die uit zijn verhalen klinkt wijst op een zeker cynisme tegenover het hem vertelde. Tegenover Sassen liet hij meer dan in de verhalen dit duidelijk uitkomen. Zo schreef hij over de verenkrans, die voor velen hét bewijs van hekserij was: 'Ze vullen ze op met wat de lui hebben. Draadjes vindt men allicht in de peluws; deze doen de veren ineen rollen, en 't is geen wonder er een lapje of een strooitje bij te vinden. En al zal zoo'n rommel ook al heel weinig geleken hebben op een krans of een poppetje - de verbeelding zal daar wel alles van kunnen maken, wat bijgeloovige menschen er in zien willen.' (brief aan Sassen, dd. 5 juli 1890, verz. Sassen inv. no. BB26).
Naast volksverhalen verzamelde meester Cuijpers materiaal betreffende allerhande volksgebruiken zoals kinderrijmen, kalendergebruiken, e.a. hetgeen eveneens in de genoemde tijdschriften gepubliceerd werd.
Naam Overig in Tekst
Gloeiige   
Klotven   
Hildebrand   
Geert   
Naam Locatie in Tekst
Aalst   
Leende   
Plaats van Handelen
Leende (Noord-Brabant)   
Kloekenummer in tekst
L262p   
