Hoofdtekst
Daar was eens een man en eene vrouw en die hadden twee kinderen. Het eene heette Doortje en 't andere Mietje. De vader had ze allebei lief, heel lief; maar moeder hield 't meest van Mietje, en Doortje mocht ze niet lijden. Op een keer was vader eens voor een paar dagen ergens naar toe. En toen riep de moeder allebei de meisjes binnen, die achter 't huis in den tuin aan 't spelen waren. Zij gaf aan ieder een emmertje om water te putten en zeide: 'die den emmer het volste heeft, krijgt van mij een lekkeren boterham.' Maar zij gaf aan Doortje een emmer, waarin een groot gat was. Toen de meisjes thuis kwamen van den put, kreeg Mietje een lekkeren boterham met suiker en Doortje kreeg een stuk droog brood, want haar emmertje was nog niet eens half vol - maar dat was toch hare schuld niet.
Later op den middag zeide de moeder tegen de twee meisjes: 'gaat naar 't bosch hout sprokkelen. Die 't meeste hout thuis brengt krijgt weer een lekkeren boterham.' De moeder gaf nu aan Mietje een lang touw en Doortje kreeg een klein stuk rot touw. Toen ze beiden thuis kwamen uit 't bosch, had Mietje den lekkeren boterham alweer verdiend en Doortje werd alweer met een stuk droog brood afgescheept. 's Anderendaags zeide de moeder tot Doortje: 'Wil ik uw haartje eens kammen?' En toen lei het leelijke wijf Doortje met het hoofd op eenen post en kapte haar met het slichtmes het hoofd af.
Tegen den middag zou vader thuis komen. De moeder had soep gekookt van Doortjes lichaam en Mietje ging vader een eindweegs tegen, net als ze altijd met Doortje deed. Vader vroeg dadelijk waar Doortje was, maar Mietje zeide niets. De vader vroeg nog al eens en toen zeide Mietje: 'Ik durf 't niet zeggen.' 'Zeg het maar,' vroeg de vader alweer. 'Ik durf niet,' zei Mietje. Eindelijk kwam de vader met Mietje thuis en toen gingen ze allemaal aan tafel om te eten. Moeder en Mietje lustten geen soep, maar vader - ja, die wist van niets af - die at ze met smaak. Toen de vader gegeten had, vroeg hij alweer waar Doortje toch naar toe was. Moeder en ook Mietje zeiden niets, maar boven in den schoorsteen daar hoorden ze een fijn stemmetje, heel klaar, dat zong:
Rikketikketik,
Een schoon engeltje ben ik.
Moeder heeft mij gesneden,
Vader heeft mij gegeten
En Mietje heeft de schenkskes
Onder den noteboom gesmeten.
Rikketikketik,
Een schoon engeltje ben ik.
Toen viel er uit den schoorsteen een gouden horloge voor vader, een fraai kleed met gouden sterretjes voor Mietje en - een molensteen, die de moeder verpletterde.
Onderwerp
AT 0720 - My Mother Slew Me; My Father Ate Me. The Juniper Tree   
ATU 0720 - The Juniper Tree   
Beschrijving
Bron
Motief
H1023.2.1 - Task: carrying water in leaky vessel.   
G61 - Relative’s flesh eaten unwittingly.   
N271 - Murder will out.   
Q412 - Punishment: millstone dropped on guilty person.   
Commentaar
NA 1892: 606-607. Sinninghe 1933: 298- 299; de Haan 1966: 138-139, 1977: 168-169 (no. 47); bewerking: Van Oirschot 1966: 47. S.M720.15; AT 720 My Mother slew Me: My Father Ate Me. The Juniper Tree.
1. Schoolmeester en essayist. Verhalen vanuit Zeelst verzameld Opgetekend, verzameld en in vorm gegoten door Jacques Cuijpers (1850-1926), hoofdonderwijzer te Zeelst. Gepubliceerd in het Tijdschrift voor Noordbrabantsche Geschiedenis, Taal- en Letterkunde (TNG) I (okt. 1883 - okt. 1884), II (okt. 1884 - okt. 1885), en de Noordbrabantsche (Volks-) Almanak (NA), beide onder redactie van August Sassen. Cuijpers was goed bevriend met Sassen. Met hem en anderen placht hij wandelingen door de Noordbrabantse Kempen en de Peel te maken, waarbij onder meer aandacht werd geschonken aan de plaatselijke volkscultuur. De lichte spot die uit zijn verhalen klinkt wijst op een zeker cynisme tegenover het hem vertelde. Tegenover Sassen liet hij meer dan in de verhalen dit duidelijk uitkomen. Zo schreef hij over de verenkrans, die voor velen hét bewijs van hekserij was: 'Ze vullen ze op met wat de lui hebben. Draadjes vindt men allicht in de peluws; deze doen de veren ineen rollen, en 't is geen wonder er een lapje of een strooitje bij te vinden. En al zal zoo'n rommel ook al heel weinig geleken hebben op een krans of een poppetje - de verbeelding zal daar wel alles van kunnen maken, wat bijgeloovige menschen er in zien willen.' (brief aan Sassen, dd. 5 juli 1890, verz. Sassen inv. no. BB26).
Naast volksverhalen verzamelde meester Cuijpers materiaal betreffende allerhande volksgebruiken zoals kinderrijmen, kalendergebruiken, e.a. hetgeen eveneens in de genoemde tijdschriften gepubliceerd werd.
Naam Overig in Tekst
Doortje   
Mietje   
