Hoofdtekst
Van een coster van Ouderscie ende anderen doden. Capitel XXVIII
IN dat dorp van Ouderscie was een coster gheheeten Boudijn vanden Velde, ende die wert siec ende sterf doemen screef MCCCC ende XXVI op Sente Pauwels bekeeringhe dach des nachts. Op die selven nacht wort Liedewy inden gheest ghevoert tot enen berch daer si beneden byden berch sach staen enen [234Vb] man die si niet en kende, die gheeren hadde gheweest opten berch. Mer van crancheiden en mochte hij niet clemmen ende bat Liedewy dat si hem wilde op draghen. Maer sy ghevoelden also swaer op haer scouderen, doe si hem op draghen woude, dat sij des morghens van her Jan, haren biechtvader, wort ghevonden also seere suchtende of si grooten arbeyt haddeo ghedaen. Doe dat her Jan sach, vraechde hi haer, wat haer lettede dat sij so suchtede. Si antworde ende seide dat sy beneden enen berch hadde ghevonden eenen man, gheheeten Boudijn vanden Velde, ende dien hadde si ghedraghen opten berch ende daer was si alte seere af vermoyt, dat sy haer selven qualijc lijden mochte. Her Jan was hier af seere verwonderende. Ende na twee daghen quam hi tot Ouderscie ende vraechde na den coster die hi wel kende ende wel wiste, dat hi Boudijn hiet. Ende vernam dat hi Boudijn vanden Velde hiet ende dat hi op Sente Pauwels nacht ghestorven was.
Op enen anderen tijt sach sij inden gheest bi enen berch menegherande menschen dwalen: somighe beneden, somighe hoogher, somighe noch [235Ra] hoogher die gheerne opten berch hadden gheweest, maer si en konstender niet op clemmen ende sy en mochten nyement hebben die hem mochte helpen op te clemmen. Voer groote hoochtijden wert Liedewy menich werf ghevoert tot die pijnliken steden daer die sielen haer vaechvier leden, ende als si weder tot haer selven quam, soe plach sy die quarteyn also hardelic te lijden. Ende die ontfermherticheit Gods plach si met vele weenens aen te roepen voer die sielen verlossinghe, alsoe dat sij op die hoochtijt van dier Sielen Verlossinghe, also seer blijde plach te wesen, dat si haer selven in vroechden niet en conste begrijpen.
Op deser sielen elende plach si also seere te weenen, dat haer natuerlike tranen in haer aensichte plaghen te vergaen ende plaghen na te volghen bloedeghe tranen. Ende die plach her Jan Wouters soen, haer confessoer, af te scrabben van harer wanghen ende te vergaderen in eenen sac. Ende doe sy doot was, leyde hijse onder haer hooft in die scrine, als si begheert hadde voer haer doot.
IN dat dorp van Ouderscie was een coster gheheeten Boudijn vanden Velde, ende die wert siec ende sterf doemen screef MCCCC ende XXVI op Sente Pauwels bekeeringhe dach des nachts. Op die selven nacht wort Liedewy inden gheest ghevoert tot enen berch daer si beneden byden berch sach staen enen [234Vb] man die si niet en kende, die gheeren hadde gheweest opten berch. Mer van crancheiden en mochte hij niet clemmen ende bat Liedewy dat si hem wilde op draghen. Maer sy ghevoelden also swaer op haer scouderen, doe si hem op draghen woude, dat sij des morghens van her Jan, haren biechtvader, wort ghevonden also seere suchtende of si grooten arbeyt haddeo ghedaen. Doe dat her Jan sach, vraechde hi haer, wat haer lettede dat sij so suchtede. Si antworde ende seide dat sy beneden enen berch hadde ghevonden eenen man, gheheeten Boudijn vanden Velde, ende dien hadde si ghedraghen opten berch ende daer was si alte seere af vermoyt, dat sy haer selven qualijc lijden mochte. Her Jan was hier af seere verwonderende. Ende na twee daghen quam hi tot Ouderscie ende vraechde na den coster die hi wel kende ende wel wiste, dat hi Boudijn hiet. Ende vernam dat hi Boudijn vanden Velde hiet ende dat hi op Sente Pauwels nacht ghestorven was.
Op enen anderen tijt sach sij inden gheest bi enen berch menegherande menschen dwalen: somighe beneden, somighe hoogher, somighe noch [235Ra] hoogher die gheerne opten berch hadden gheweest, maer si en konstender niet op clemmen ende sy en mochten nyement hebben die hem mochte helpen op te clemmen. Voer groote hoochtijden wert Liedewy menich werf ghevoert tot die pijnliken steden daer die sielen haer vaechvier leden, ende als si weder tot haer selven quam, soe plach sy die quarteyn also hardelic te lijden. Ende die ontfermherticheit Gods plach si met vele weenens aen te roepen voer die sielen verlossinghe, alsoe dat sij op die hoochtijt van dier Sielen Verlossinghe, also seer blijde plach te wesen, dat si haer selven in vroechden niet en conste begrijpen.
Op deser sielen elende plach si also seere te weenen, dat haer natuerlike tranen in haer aensichte plaghen te vergaen ende plaghen na te volghen bloedeghe tranen. Ende die plach her Jan Wouters soen, haer confessoer, af te scrabben van harer wanghen ende te vergaderen in eenen sac. Ende doe sy doot was, leyde hijse onder haer hooft in die scrine, als si begheert hadde voer haer doot.
Beschrijving
28. Over de koster van Overschie en andere overledenen
In het dorp Overschie woonde een koster, Boudewijn vanden Velde. In 1426 stierf hij na een kortstondige ziekte in de nacht van 25 op 26 januari. Terzelfder tijd werd Liedewij in een visioen meegevoerd naar een berg. Aan de voet daarvan stond een haar onbekende man, die graag naar de top wilde, maar te zwak was om zelf omhoog te klimmen. Hij smeekte Liedewij hem naar boven te dragen. De last drukte echter zo zwaar op haar schouders, dat haar biechtvader Jan haar 's morgens hijgend aantrof. Hij vroeg haar, wat haar scheelde. Zij antwoordde dat zij aan de voet van een berg een man, Boudewijn vanden Velde, had aangetroffen; ze had hem de berg op gedragen en was daar zo uitgeput van, dat ze zich geen raad wist. Heer Jan was hierover hogelijk verbaasd. Twee dagen later kwam hij in Overschie en vroeg naar de koster, die hij overigens niet alleen van naam kende. Hij kreeg te horen dat Boudewijn vanden Velde in dezelfde nacht overleden was.
Een andere keer zag Liedewij in een visioen verschillende mensen ronddolen bij een berg: sommigen aan de voet, anderen iets hoger, weer anderen nog hoger. Allen wilden de top bereiken, maar niemand was erin geslaagd op eigen kracht of met hulp van anderen de berg op te klauteren. Vaak werd Liedewij vóór kerkelijke hoogtijdagen meegevoerd naar het vagevuur, waar de zielen gelouterd werden. Als zij dan weer tot zichzelf kwam, leed ze nog heviger aan de derdendaagse koorts. Om de zielen te redden deed ze met intens geweeklaag een beroep op Gods barmhartigheid. Op 2 november was ze dan zo gelukkig, dat ze haar eigen vreugde niet kon vatten.
Zij weende vaak hevig om de ellende van die zielen; haar traanvocht raakte op en ze huilde bloeddruppels. Haar biechtvader, Jan Wouterszoon, schraapte die van haar wangen en stopte ze in een zakje. Overeenkomstig Liedewijs wens legde hij die na haar dood onder haar hoofd in de kist.
In het dorp Overschie woonde een koster, Boudewijn vanden Velde. In 1426 stierf hij na een kortstondige ziekte in de nacht van 25 op 26 januari. Terzelfder tijd werd Liedewij in een visioen meegevoerd naar een berg. Aan de voet daarvan stond een haar onbekende man, die graag naar de top wilde, maar te zwak was om zelf omhoog te klimmen. Hij smeekte Liedewij hem naar boven te dragen. De last drukte echter zo zwaar op haar schouders, dat haar biechtvader Jan haar 's morgens hijgend aantrof. Hij vroeg haar, wat haar scheelde. Zij antwoordde dat zij aan de voet van een berg een man, Boudewijn vanden Velde, had aangetroffen; ze had hem de berg op gedragen en was daar zo uitgeput van, dat ze zich geen raad wist. Heer Jan was hierover hogelijk verbaasd. Twee dagen later kwam hij in Overschie en vroeg naar de koster, die hij overigens niet alleen van naam kende. Hij kreeg te horen dat Boudewijn vanden Velde in dezelfde nacht overleden was.
Een andere keer zag Liedewij in een visioen verschillende mensen ronddolen bij een berg: sommigen aan de voet, anderen iets hoger, weer anderen nog hoger. Allen wilden de top bereiken, maar niemand was erin geslaagd op eigen kracht of met hulp van anderen de berg op te klauteren. Vaak werd Liedewij vóór kerkelijke hoogtijdagen meegevoerd naar het vagevuur, waar de zielen gelouterd werden. Als zij dan weer tot zichzelf kwam, leed ze nog heviger aan de derdendaagse koorts. Om de zielen te redden deed ze met intens geweeklaag een beroep op Gods barmhartigheid. Op 2 november was ze dan zo gelukkig, dat ze haar eigen vreugde niet kon vatten.
Zij weende vaak hevig om de ellende van die zielen; haar traanvocht raakte op en ze huilde bloeddruppels. Haar biechtvader, Jan Wouterszoon, schraapte die van haar wangen en stopte ze in een zakje. Overeenkomstig Liedewijs wens legde hij die na haar dood onder haar hoofd in de kist.
Bron
Het leven van Liedewij, de maagd van Schiedam. (Ed. Ludo Jongen en Cees Schotel). Verloren, Hilversum 1994 (tweede druk).
Commentaar
ca. 1435
Dit verhaal is per hoofdstuk ingevoerd. Er zijn 44 hoofdstukken. <br>
Tekst en informatie: http://www.dbnl.org/tekst/_lie002lied01_01/
Tekst en informatie: http://www.dbnl.org/tekst/_lie002lied01_01/
Naam Overig in Tekst
Boudewijn vanden Velde   
Liedewij   
Jan   
Allerzielen   
Sint-Paulus   
Jan Wouterszoon   
Naam Locatie in Tekst
Overschie   
Plaats van Handelen
Schiedam (Zuid-Holland)   
Kloekenummer in tekst
K003p   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:21
