Hoofdtekst
Van die steen die si een wiltijts voer haer doot tot haer doot toe leet. Ca. XXXIIII
HIer na doemen screef MCCCC ende XXXIII - omtrent die hoochtijt van Onser Liever Vrouwen Lichtmesse - ghecreech sij in haer lijf een steen ontrent also groot als een duven ey. Daer so wert si also seere af ghequelt, dat sy by wilen in eenre uren twee of drie reysen lach als doot, dat si niet en mochte spreken; also dat si plach te segghen, dat si daer af soude sterven. Die pine die si leet vanden steene die was* also groot, dat si met grooter knersinghe van haren tanden qualiken mochte lijden sonder onverduldilike worde. Ende als si over was, soe* en mochte sij niet wel spreken. Op die tijt so plach si also selden* die godlike gracie te ontfanghen, dat sij her Jan Wouters soen, haren biechtvader, al weenende plach te segghen, dat Onse Lieve Heere haer vergheten* hadde.
HIer na doemen screef MCCCC ende XXXIII - omtrent die hoochtijt van Onser Liever Vrouwen Lichtmesse - ghecreech sij in haer lijf een steen ontrent also groot als een duven ey. Daer so wert si also seere af ghequelt, dat sy by wilen in eenre uren twee of drie reysen lach als doot, dat si niet en mochte spreken; also dat si plach te segghen, dat si daer af soude sterven. Die pine die si leet vanden steene die was* also groot, dat si met grooter knersinghe van haren tanden qualiken mochte lijden sonder onverduldilike worde. Ende als si over was, soe* en mochte sij niet wel spreken. Op die tijt so plach si also selden* die godlike gracie te ontfanghen, dat sij her Jan Wouters soen, haren biechtvader, al weenende plach te segghen, dat Onse Lieve Heere haer vergheten* hadde.
Beschrijving
34. Over de steen die Liedewij in de laatste maanden voor haar dood veel pijn bezorgde
Begin februari 1433 ontstond er een steen zo groot als een duivenei in het lichaam van Liedeij. Daar had ze enorme pijnen van, dat ze soms niet meer kon bewegen of praten. Ze dacht dat het haar dood zou worden. Ze had in die tijd zelden de ervaring van de goddelijke genade en zei Jan, haar biechtvader, huilend dat God haar vergeten was.
Begin februari 1433 ontstond er een steen zo groot als een duivenei in het lichaam van Liedeij. Daar had ze enorme pijnen van, dat ze soms niet meer kon bewegen of praten. Ze dacht dat het haar dood zou worden. Ze had in die tijd zelden de ervaring van de goddelijke genade en zei Jan, haar biechtvader, huilend dat God haar vergeten was.
Bron
Het leven van Liedewij, de maagd van Schiedam. (Ed. Ludo Jongen en Cees Schotel). Verloren, Hilversum 1994 (tweede druk).
Commentaar
ca. 1435
Dit verhaal is per hoofdstuk ingevoerd. Er zijn 44 hoofdstukken. <br>
Tekst en informatie: http://www.dbnl.org/tekst/_lie002lied01_01/
Tekst en informatie: http://www.dbnl.org/tekst/_lie002lied01_01/
Naam Overig in Tekst
Maria-Lichtmis   
Liedewij   
Jan Wouterszoon   
God   
Plaats van Handelen
Schiedam (Zuid-Holland)   
Kloekenummer in tekst
K003p   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:21
