Hoofdtekst
Jc quam gaende op enen dach
Mitten wolf her ysegrijm [fol. 94r]
Wy hadden geuaen tesamen een swijn
Dat beten wi doot voor tlude garren
Heer doe quaem dy van verren
Wt eenre hagen ons in tgemoet
Ghi gruete ons myt scoonre groet
Ende spraect gi twee sijt wellcome
Die honger doet my also wee
Ende mynen wiue die hier coomt achter
Woud di ons deilen ons soud te sachter
Te moede wesen van uwen gewynne
Her ysegrim sprac biden kynne
Ja so dat men nauwe verstont
Mer ic riep myt luder mont
Ja wi heer al waert veel meer
Wie wildi dattet deilt nv heer
Dat sel dy wolf heer spraect gi doe
Des was ysegrym doe wel vroe
En deildent als hi was gewoen
Die een heelft nam hi tot sijn verdoen
Te vorenwt ende tvierendeel
End dat ander deel mijnre vrouwen
Doe ghinc hi biten ende knouwen
Ende haeste hem dat hijt op at
Dat oor mitten naes gat
Ende half die longen gaff hi my
Ende al dat ander behielt hy
ALdus toonde hi sijn edelheit
Eer men eens credo had geseit
So had hi sijn deel op als gi selt weten
Nochtan had hi geern meer gegeten
Want hi en was noch niet sat
Doe baed gi ysegrim noch om wat
Mer heer hi en gaff v niet een koot
Doe hief dy op uwen rechteren poot [fol. 94v]
En sloechten so tusschen sijn oren
Dat hem dat fel mochte schoren
Vander nasen totten ogen
Doe en cond hi niet gedogen
Die smerte hi huylde ende bloyde zeer
Ende liep wech myt snelre keer
Ende liet sijn deel dair leggen neder
Ende brengt ons meer hoe ghijt raemt
Ende ziet dat gi v bet meer scaemt
Als gi deilt op een ander tijt
Doe seide ic heer gebiet ghijt
Jc ga myt hem ic weet wel wat
Ghi seit ic liep na dat
Mit hem hi carmde zeer ende stan
Ende croonde hoe qualic hi dair was an
Mer hi en dorst niet wel clagen
So lange liep wi te samen iagen
Dat wi een vet calf vengen
Ende doe ghijt ons saget brengen
Lachde gi ende het behagede v wel
Reynaert sprac gi zijt snel
Ter iacht als gijt v wilt onderwijnden
Jc zie gi cont wel wat vijnden
Gi zijt goet wt geseynt ter noot
Dit calf is vet ende groot
Hier moget gi seluer deilre of sijn
Jc doet gern seide ic lieue heer mijn
Die een helft is v wt te voren
Die ander moet uwen wiue toe behoren
Pensen leuer dermen ende longen
Die sellen hebben v iongen
Dat hooft sel hebben ysegrijm
Ende die voeten die sijn mijn
Doe gi dit hoorde waer di vro [fol. 95r]
Reynaert wie leerde v also
Huesschelic deilen doet my verstaen
Heer dat heeft dese knaep gedaen
Die mitter roder crvnen sit hier
Om dat hi hem maecte so fier
Huden doe deilde dat swijn
Dus was gelopen isegrijm
Dat hi creech scade ende scande mede
Mit sijnre onhuesscher gierichede
Oec dat men wolff noh huden vijnt
Die sonder eet ende verslijnt
Die geen dair hi ouer mach
Hem naect mennigen droeuen dach
Die die wolue zaden moet
Want sy en sparen vleisch noch bloet
Al dat sy vijnden nemen sy mede
Wee der landen ende der stede
Dair die woluen hebben die ouerhant
Sy en sparen vrient noch [vyant]
So wat sy crigen dat hem genuecht
(vss. 6049-6138)
Mitten wolf her ysegrijm [fol. 94r]
Wy hadden geuaen tesamen een swijn
Dat beten wi doot voor tlude garren
Heer doe quaem dy van verren
Wt eenre hagen ons in tgemoet
Ghi gruete ons myt scoonre groet
Ende spraect gi twee sijt wellcome
Die honger doet my also wee
Ende mynen wiue die hier coomt achter
Woud di ons deilen ons soud te sachter
Te moede wesen van uwen gewynne
Her ysegrim sprac biden kynne
Ja so dat men nauwe verstont
Mer ic riep myt luder mont
Ja wi heer al waert veel meer
Wie wildi dattet deilt nv heer
Dat sel dy wolf heer spraect gi doe
Des was ysegrym doe wel vroe
En deildent als hi was gewoen
Die een heelft nam hi tot sijn verdoen
Te vorenwt ende tvierendeel
End dat ander deel mijnre vrouwen
Doe ghinc hi biten ende knouwen
Ende haeste hem dat hijt op at
Dat oor mitten naes gat
Ende half die longen gaff hi my
Ende al dat ander behielt hy
ALdus toonde hi sijn edelheit
Eer men eens credo had geseit
So had hi sijn deel op als gi selt weten
Nochtan had hi geern meer gegeten
Want hi en was noch niet sat
Doe baed gi ysegrim noch om wat
Mer heer hi en gaff v niet een koot
Doe hief dy op uwen rechteren poot [fol. 94v]
En sloechten so tusschen sijn oren
Dat hem dat fel mochte schoren
Vander nasen totten ogen
Doe en cond hi niet gedogen
Die smerte hi huylde ende bloyde zeer
Ende liep wech myt snelre keer
Ende liet sijn deel dair leggen neder
Ende brengt ons meer hoe ghijt raemt
Ende ziet dat gi v bet meer scaemt
Als gi deilt op een ander tijt
Doe seide ic heer gebiet ghijt
Jc ga myt hem ic weet wel wat
Ghi seit ic liep na dat
Mit hem hi carmde zeer ende stan
Ende croonde hoe qualic hi dair was an
Mer hi en dorst niet wel clagen
So lange liep wi te samen iagen
Dat wi een vet calf vengen
Ende doe ghijt ons saget brengen
Lachde gi ende het behagede v wel
Reynaert sprac gi zijt snel
Ter iacht als gijt v wilt onderwijnden
Jc zie gi cont wel wat vijnden
Gi zijt goet wt geseynt ter noot
Dit calf is vet ende groot
Hier moget gi seluer deilre of sijn
Jc doet gern seide ic lieue heer mijn
Die een helft is v wt te voren
Die ander moet uwen wiue toe behoren
Pensen leuer dermen ende longen
Die sellen hebben v iongen
Dat hooft sel hebben ysegrijm
Ende die voeten die sijn mijn
Doe gi dit hoorde waer di vro [fol. 95r]
Reynaert wie leerde v also
Huesschelic deilen doet my verstaen
Heer dat heeft dese knaep gedaen
Die mitter roder crvnen sit hier
Om dat hi hem maecte so fier
Huden doe deilde dat swijn
Dus was gelopen isegrijm
Dat hi creech scade ende scande mede
Mit sijnre onhuesscher gierichede
Oec dat men wolff noh huden vijnt
Die sonder eet ende verslijnt
Die geen dair hi ouer mach
Hem naect mennigen droeuen dach
Die die wolue zaden moet
Want sy en sparen vleisch noch bloet
Al dat sy vijnden nemen sy mede
Wee der landen ende der stede
Dair die woluen hebben die ouerhant
Sy en sparen vrient noch [vyant]
So wat sy crigen dat hem genuecht
(vss. 6049-6138)
Onderwerp
AT 0051 - The Lion's Share   
ATU 0051 - The Lion’s Share.   
Beschrijving
Reinaert vertelt over een dag dat Isegrim en hij samen een zwijn hadden gevangen. Op dat moment kwam net de koning langs met zijn vrouw en zij leden erg honger. Ze zouden het fijn vinden als ze mochten delen in de buit. Isegrim was weinig toegeeflijk en Reinaert riep meteen dat het goed was. Isegrim mocht de buit verdelen. De helft nam hij zelf en de koning en zij vrouw kregen ieder een kwart. Toen de koning vroeg om wat meer, kreeg hij dat niet van de wolf en daarom sloeg de leeuw hem hard in het gezicht. Jankend liep de wolf weg en de koning beval hem meer voedsel te vangen. Reinaert ging met hem mee en ze vingen samen een kalf. De koning was verheugd en liet Reinaert de buit verdelen. Het koningspaar kreeg ieder de helft, de pens, lever, longen en darmen waren voor de welpen, het hoofd voor Isegrim en Reinaert zelf nam de poten. Dit vond de koning uitstekend en hij vroeg wie hem zo hoffelijk had leren delen. Reinaert zei dat Isegrim dat had gedaan toen hij het zwijn zo onbeschoft verdeelde.
Bron
‘Reinaerts historie, Reinaert II.’ In: Instituut voor Nederlandse Lexicologie (samenstelling en redactie), Cd-rom Middelnederlands. Sdu Uitgevers/Standaard Uitgeverij, Den Haag/Antwerpen 1998.
Commentaar
1479
Deze tekst is een passage uit Reinaerts historie. Een aantal passages zijn opgenomen wanneer deze gekoppeld kunnen worden aan een verhaaltype. Reinaerts historie is ook in zijn geheel opgenomen (vanwege de lengte in vijf stukken: idnummers RH001A tot en met RH001E).
The Lion’s Share
Naam Overig in Tekst
Reinaert   
Isegrim   
Nobel   
Plaats van Handelen
Ieper (België)   
Kloekenummer in tekst
N072p   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:21
