Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

- Kattendans

Een (), (foutieve datum)

Onderwerp

SINSAG 0501 - Der Katzentanz    SINSAG 0501 - Der Katzentanz   

Beschrijving

Der Katzentanz

Tekst

Een man loopt 's avonds alleen naar huis. Onderweg komt hij een aantal katten tegen. Deze dansen en zingen in een kring, poot aan poot. De katten drinken uit een mooie beker. De man wordt gevraagd of hij niet ook een slokje wil nemen. Hij twijfelt maar besluit uiteindelijk toch een slok te nemen, maar vlak voordat hij dit doet roept de man: 'In Gods naam!' Bij het horen van de naam van God verdwijnen de katten plotseling. De man blijft verbaasd achter, met de beker nog in zijn hand. Hij neemt de beker mee. De sage van de dansende katten is op te splitsen in twee afzonderlijke maar wel aanverwante verhaaltypen. Voor de wetenschappelijke vergelijking van volksverhalen staan de verhalen bekend onder de typenummers SINSAG 501 en SINSAG 502. Het eerste gedeelte, de ontmoeting met de (dansende) katten, valt onder het type SINSAG 501, Der Katzentanz, en staat in Nederland bekend als kattendans. Het tweede gedeelte, waar de katten uit een beker drinken, wordt als SINSAG 502, Der goldene (silberne) Becher, aangeduid, en de kattenbeker genoemd. De scheiding tussen deze twee sagentypen is vaag. Veelal worden er enkele elementen door elkaar gebruikt. Bij het woord 'verhaal' moet in dit geval wel een kanttekening geplaatst worden. Veelal gaat het bij de vertellingen van de kattendans en de kattenbeker namelijk niet om complete verhalen met een echt begin en een einde, maar meer om flarden van verhalen, mededelingen. Er is bijna niemand gevonden die het 'verhaal' uit de eerste hand kan vertellen. Meestal is het een verhaal van ouders, grootouders of een vage bekende over iemand die dit vroeger meegemaakt zou hebben, in een enkel geval is het een directe bekende (bijvoorbeeld de vader van de verteller). Men bracht deze dansende katten in verband met heksen. Zij zouden regelmatig bijeenkomen in de gedaante van katten. In hoeverre de vertellers zelf (nog) in hekserij geloofden is vaak moeilijk te zeggen. Veel van de verhalen werden opgetekend in de periode tussen 1870 en 1920. In het algemeen kan opgemerkt worden dat het geloof in hekserij wijd verspreid geweest moet zijn, zeker in de negentiende eeuw. Dit valt op te maken uit het grote aantal verhalen dat in deze periode de ronde deed over heksen en hekserij (T. Dekker in Gijswijt-Hofstra, 1987, p. 254). Het begin van de beide verhaaltypen is meestal ongeveer hetzelfde. Een man (in een enkel geval een vrouw) loopt alleen naar huis. Hij komt van een spinavond, een kermis of uit een café. Vaak is de man aangeschoten of zelfs dronken als hij de katten ziet. Zoals gezegd dansen katten op hun achterpoten hand in hand. Vaak zingen ze liedjes. De plek waar deze bijeenkomsten plaats vinden, is veelal aan de rand van het dorp. Op een plaats die de marge van de samenleving symboliseert (de scheiding tussen de veilige en onveilige wereld), zoals bij een bruggetje aan de rand van het bos, op de heide of bij grafheuvels, buiten de bescherming van de kerk en het dorp. Wanneer de man door de dansende katten ontdekt wordt, wordt hij ingesloten door de katten tot hij niet meer uit de kring kan ontsnappen. De duivel zou dan bezit van hem nemen. In sommige gevallen wordt de man gedwongen om mee te dansen totdat hij er letterlijk bij neer valt. Hij wordt dan een dag later dood of bewusteloos gevonden. Een enkeling wist aan de macht der heksen te ontsnappen. In sommige gevallen loopt het dus goed af met de toevallige voorbijganger, maar meestal niet. De sage van de kattenbeker is nauw verwant aan het bovenstaande verhaal. Ook hier worden de katten dansend in een kring aangetroffen. Maar nu drinken ze ook nog uit een versierde zilveren of gouden beker. De voorbijganger krijgt door een kat de kelk aangereikt en wordt gedwongen een slok te nemen. In veel gevallen zou het gaan om een avondmaalsbeker, die door heksen uit een kerk is gestolen. In de gedaante van katten voeren de kollen een ritueel uit waar de beker onderdeel van uitmaakt, zodat deze ontheiligd wordt. De man twijfelt, want hij brengt de dansende zwarte katten in verband met heksen en hij wil liever niet drinken. Maar uiteindelijk geeft hij toch toe. Maar niet voordat hij God, Jezus of Maria aangeroepen heeft. Vaak roept hij 'In naam van Maria, ik drink wel!' of iets dergelijks en de katten stuiven hierop uiteen of verdwijnen plotseling. De verbaasde man blijft alleen achter met de beker nog in zijn handen en neemt deze mee naar huis. Op het mysterieuze verdwijnen van de katten gaan we later verder in. In sommige gevallen blijft de beker in het bezit van de familie. Er worden wel verhalen verteld over families die deze beker nog steeds in hun bezit zouden hebben. Sinninghe vertelt: 'de kattenbeker berustte in het begin van deze eeuw nog in de familie van oud-burgemeester Drossaert te Vlaardingen'. Een tweede kattenbeker uit Vlaardingen zou in 1923 in Amsterdam geveild zijn (Sinninghe 1977, pp. 36-37). Er wordt ook wel verteld dat de beker aan de kerk terug geschonken wordt. Maar er zijn ook vertellingen bekend waarin de man ziet dat er een naam of initialen in de beker gegraveerd staan. De beker blijkt van de rijkste dame uit de omgeving te zijn. Omdat de man de beker terug wil geven gaat hij naar het huis van deze dame en wil haar de beker teruggeven. Zij is erg geschrokken dat de man ontdekt heeft dat zij een heks is en zich kan veranderen in een kat. De dame laat hem zweren nooit iets te vertellen over wat hij heeft meegemaakt. Als de man dit belooft wordt hij rijkelijk beloond. De heksen worden meestal niet met naam genoemd door vertellers. Katten worden in West-Europa al eeuwen in verband gebracht met heksen, zeker zwarte katten. Deze dieren kon men het beste mijden en men kan zich voorstellen dat als men een hele groep zwarte katten 's nachts tegenkwam, er al snel aan hekserij gedacht werd. Zelfs nu wordt de zwarte kat door veel mensen nog als teken van ongeluk gezien, zeker als je deze op vrijdag de 13e tegenkomt! Willem de Blécourt identificeert de heksenkatten als prostituees (De Blécourt 1999, p. 268), want vrouwen werden soms ook wel 'kat' genoemd, zowel in positieve als in negatieve zin; het woord werd ook wel gebruikt voor dames van lichte zeden. Bepaalde vertellingen zijn, aldus De Blécourt, dus te beschouwen als waarschuwingen voor nachtelijke ontmoetingen met 'onzedelijke vrouwen'. Opvallend is het aanroepen van God, Jezus of Maria door de bedreigde persoon. Op het horen van één van deze namen verdwijnen de wezens spoorslags. Heksen zouden niet tegen het horen van deze sacrale namen kunnen. Het christelijke geloof beschermde de mensen dus tegen onwelwillende en kwade wezens in de marge van de samenleving. Of in ieder geval, dat dacht men. De mensen die de kattendans waarnamen (en deze overleefden) waren, in de ogen van de kerk, al enigszins op het slechte pad. Zij kwamen vaak 's avonds laat van een spinning, een kermis, een avondje kaarten of uit het café. Men kon, volgens het christelijke geloof, de avond beter thuis doorbrengen, in het gezelschap van de familie. De mannen die hun tijd verdeden door plezier te maken en alcohol te nuttigen, liepen een groot risico. Het verhaal kan derhalve ook gezien worden als een waarschuwing om 's avonds niet alleen de gevaarlijke (bovennatuurlijke) buitenwereld in te trekken en lijkt hierin op een volwassen tegenhanger van de 'kinderschrik'. Heksen in de gedaante van katten die een kattendans uitvoeren zijn sinds 1600 beschreven. In Nederland komen we dit verhaal voornamelijk tegen in het zuiden en westen van het land. In de provincies Noord-Brabant, Zeeland en Limburg werden veel van deze verhalen verteld. Maar niet alleen in Nederland komen we deze verhaaltypen tegen. Ook in België zijn talloze versies opgetekend. Deze komen sterk overeen met de Nederlandse verhalen en kunnen we dan ook onder dezelfde typenummers voegen. De typering van Sinninghe is niet verder internationaal verspreid. Dat wil zeggen, het typenummer is buiten België en Nederland niet bekend. Toch is er ook in Duitsland een verhaal bekend dat veel overeenkomsten vertoont met de betreffende typenummers. Hier gaat het om een jongen die een groep hazen ziet dansen en springen. Een van de hazen probeert de jongeman te bijten en hij roept hierop God aan. Op dat moment verdwijnen de hazen en laten een zilveren beker achter (Hartland 1925, pp. 138-139). De heksen in andere gedaanten dan katten vinden we ook in Nederlandse en Belgische verhalen terug. Zo wordt er eveneens verteld over dansende elfen, kleine mannetjes, hazen of juist hele mooie vrouwen in plaats van kollen. Het verloop van het verhaal is in deze gevallen hetzelfde als de verhalen waarin de katten dansen. Ondanks dat er in veel andere landen geen tot weinig verhalen opgetekend zijn die we kunnen scharen onder de typenummers van de kattendans of de kattenbeker, zijn er wel degelijk vertellingen bekend waarin aanverwante motieven een rol spelen. Willem de Blécourt maakt een vergelijking tussen SINSAG 502 en ML 6045 (Drinking cup stolen from the fairies) van Reidar Christiansens Migratory Legends (De Blécourt 1999, p. 266). Er zijn inderdaad enige overlappende elementen aan te wijzen tussen deze verhaaltypen. In deze Noorse verhalen is het ook een toevallige voorbijganger die mooie muziek hoort. Hier zijn het elfen die de muziek maken en de man wordt geen slok aangeboden maar vraagt er zelf om. Ook hier wordt de beker of hoorn meegenomen. In dit geval wordt deze echter door de hoofdpersoon gestolen en niet achtergelaten door de wezens. Er zijn verhaaltypen die nauw samenhangen met de kattenbeker en de kattendans, waaronder SINSAG 503, Die gestörte Hexenversammlung. Deze vertellingen komen in verschillende vormen voor, onder andere met het noemen van de naam van God of het meebrengen van een kruisteken. Ook hier verdwijnen de heksen direct, in welke gedaante ze ook zijn: katten, hazen, heksen of mooie vrouwen. Andere verhaaltypen die overeenkomsten of overlappingen vertonen met de kattendans en de kattenbeker, zijn de algemene ontmoetingen met (heksen in de gedaante van) katten. Voorbeelden hiervan zijn katten die geslagen worden en pratende katten. Zoals we zien is het lastig om één typenummer aan een verhaal toe te kennen. Vaak bevat een vertelling elementen van meerdere verhaaltypen en is er sprake van overlap van motieven en verhaalelementen. Een ander opvallend gegeven zijn de vele plekken in het landschap (weides, kruispunten) die naar de kattendans vernoemd zijn: kattekuil, kattendans, kattenbosch, kattenhol, heksendans. Het gaat hier meestal om een cirkelvormige kale plek in het gras, of juist een plek waar het gras weelderiger en groener is dan in de omgeving. Men vertelt dat de oorzaak hiervan de dansen waren die heksen (in kattengedaante) hier hielden. In veel verhalen staat beschreven waar deze plek zich precies zou bevinden. Ook paddestoelen die in een cirkel groeien worden wel een heksenkring genoemd. Deze hebben invloed op de omringende begroeiing en zo kan verklaard worden waarom de gewassen er omheen juist wel of niet groeien. Tegenwoordig vinden we de naam kattendans eigenlijk alleen nog terug als geografische aanduiding; over dansende katten worden bijna geen verhalen meer verteld. Het traditionele heksengeloof is in de eenentwintigste eeuw zo goed als verdwenen.

Literatuur

Blécourt, W. de, 'De kattendans', De discipline van het dagelijks leven. Volkskundig Bulletin 25.2/3 (1999), p. 260-271.
Blécourt, W. de: Volksverhalen uit Noord-Brabant. Utrecht [etc.] 1980.
Christiansen, Reidar Th., 'The migratory legends. A proposed list of types with a systematic catalogue of the norwegian variants', FF Communications 175 (1958).
Gijswijt-Hofstra, Marijke en Willem Frijhoff (eds.), Nederland betoverd. Toverij en hekserij van de veertiende tot in de twintigste eeuw (Amsterdam 1987).
Graft, C.C. van de, 'De kattenbeker te Vlaardingen', Volkskunde 17 (1905), p. 132-135.
Hartland, Edwin Sidney, The science of fairytales (Londen 1925).
Heesters, P.W., 'Witte wijven en de kattendans' Heemschild 3 (1969) afl. 4, p. 16-18.
Kolen, Jan enTon Lemaire (eds.), Landschap in meervoud. Perspectieven op het Nederlandse landschap in de 20e en 21e eeuw (Utrecht 1999).
Kooijman, H.: Volksverhalen uit het grensgebied van Zuid-Holland, Utrecht, Gelderland en Noord-Brabant. Amsterdam 1988.
Sinninghe, J.R.W., Zeeuwsch Sagenboek (Zutphen 1933).
Sinninghe, J.R.W., Noord-Brabants Sagenboek (Scheveningen 1933).
Sinninghe, J.R.W., Spokerijen in Rijnland, Delfland en Schieland (Zaltbommel 1977).
Verbunt, Chr., 'De kattendans', Bulletin OCG Landgraaf 1 1991, p. 31-32.