Onderwerp
AT 0293 - Debate of the Belly and the Members   
Beschrijving
Debate of the Belly and the Members
Tekst
De voeten vonden dat zij belangrijker waren dan de buik. Keer op keer schepten ze op dat zij verreweg de sterksten waren, omdat zij de buik konden dragen. Daarop had deze het volgende commentaar: 'Zeg hoor eens, dat zouden jullie nooit kunnen als ik jullie niet van voedsel voorzag.'
Aldus schreef Aesopus, een Griek, in de 6e eeuw voor Christus. Zijn fabels gingen de basis vormen voor de vele fabels die in de verdere Europese geschiedenis geschreven zouden worden. We kennen dan ook nu nog fabels die door Aesopus opgeschreven zijn. Denk bijvoorbeeld aan de fabel over de vos en de raaf met het stukje kaas en over de hardloopwedstrijd tussen de haas en de schildpad.
De bovengenoemde fabel wordt in de wetenschappelijke literatuur geschaard onder een groep van fabels met het typenummer ATU 293, Debate of the belly and the members. De fabels met dit typenummer kennen een grote verspreiding zowel in tijd als in ruimte. Zo vinden we al in het eerste millennium voor Christus een tekst uit India waarin zintuigen en de ziel het met elkaar aan de stok krijgen. De verscheidenheid in lichaamsdelen die tegenover elkaar staan in de diverse fabels, hangt daar logisch mee samen. In alle tijden en culturen vinden we echter dat de fabel op een politieke manier geïnterpreteerd werd. Daarmee is aan de fabel goed af te lezen hoe de (ideale) samenleving van een bepaalde cultuur in een zekere tijd eruit zag.
De fabel over de dialoog tussen de buik en de ledematen bevestigt verder precies de ideeën die bestaan over de verspreiding van kennis en technologie in de Oudheid. Tot ongeveer de negende eeuw kwamen de vernieuwingen uit het oosten en breidden deze zich langzaam uit naar het westen. Na de negende eeuw werd Europa steeds meer een zelfvoorzienende eenheid.
De Pirenne-these stelt dat de structuur die tot de negende eeuw in Europa bestond, verstoord werd door de veroveringen van de Arabieren. De handel die voorheen op lange afstanden plaats kon vinden, werd nu onderbroken door de nederzettingen van de Arabieren. Dit zorgde ervoor dat de handel tussen Azië, het Midden-Oosten en West-Europa stopte. Daar kwam bij dat de knooppunten die voor de langeafstandshandel belangrijk waren, vervielen tot plaatsen waar feodale verhoudingen belangrijk waren. Er valt daarbij te denken aan plaatsen waar een kerk of burcht staat; de inwoners van de plaats dienen dan de heer van de burcht of de kerk. Handelaren en handwerkslieden trokken weg uit die plaatsen. De handel met het oosten werd steeds moeilijker. De oost-westbeweging die we in de Oudheid zagen, werd daarmee gestopt.
De vroegste versie van de fabel Debate of the belly and the members is afkomstig uit India. In het religieuze epos Mahabharata wordt beschreven hoe de ziel zich verheft boven de zintuigen. De zintuigen komen in opstand tegen deze arrogantie. Aan het slot van de fabel besluiten de zintuigen en de ziel dat ze elkaar nodig hebben om te kunnen functioneren. De Mahabharata werd in de vierde eeuw na Christus voor het eerst opgeschreven. Echter, al in het eerste millennium voor Christus moeten de verhalen uit dit werk zijn verteld. We kunnen er dan ook vanuit gaan dat de fabel ook ongeveer deze leeftijd heeft.
De harmonische samenwerking tussen de ziel en de zintuigen past binnen het hindoeïstische gedachtegoed over de ordening van de samenleving. De Hindoes kennen een kastesysteem; dat houdt in dat ze worden geboren in een bepaalde kaste en daar hun gehele leven toe blijven behoren. Het behoren tot een bepaalde kaste betekent ook het uitoefenen van een bepaald beroep. De verschillende kasten vullen elkaar dan aan en hebben, net als de zintuigen en de ziel, elkaar nodig om de samenleving goed te laten functioneren.
De fabel migreert vervolgens naar het Egypte van de farao's. De eerste bron die mogelijk de fabel vertelt, stamt uit de 20e dynastie (1168-1085 v. Chr.). De tekst is geschreven op twee bordjes en is behoorlijk gehavend. Duidelijk is wel dat in de tekst de buik en het hoofd in de rechtszaal tegenover elkaar staan. De buik vertelt de rechters waarom hij het belangrijkste onderdeel van het lichaam is. Wat het hoofd hiertegen in te brengen had, is niet overgeleverd. Het is vanwege dit ontbrekende pleidooi dat er niets te zeggen valt over de politieke interpretatie van deze fabel in het oude Egypte.
Vervolgens komen we aan bij de fabel die aan de basis stond van de meeste andere en latere Europese versies: de Griekse versie van de fabel, zoals toegeschreven aan Aesopus. Over de persoon Aesopus is weinig bekend. Zo weinig zelfs dat men twijfelt aan zijn bestaan. De eerste bronnen over Aesopus' leven zijn pas een eeuw na zijn dood geschreven en het is goed mogelijk dat er toen al een cluster van vertellingen over zijn leven bestond. Volgens Herodotus was Aesopus een vrijgelaten slaaf en zou hij zijn opgekomen voor de Atheners, die in die periode moesten leven onder een tiran. Hoe het ook zij, de naam Aesopus en de verhalen die over zijn leven bestaan, zijn onlosmakelijk verbonden geraakt met het genre van de fabel.
Aesopus' versie van de fabel Debate of the belly and the members sluit prima aan bij een debat dat in zijn tijd gevoerd werd over de ideale Griekse samenleving. Ten tijde van Aesopus leefden de Grieken in stadsstaten, oftewel poleis. De steden waren autonoom: elk van de steden had een eigen politieke systeem dat voor bijvoorbeeld het slaan van munten en rechtspraak zorgde. In de polis Athene kende men drie sociale klassen waarvan alleen de mannen met burgerrechten politieke invloed hadden. Er was een directe democratie: Atheense burgers hadden allen wetgevende macht (via de volksvergadering, ekklesia) en een klein, jaarlijks wisselend groepje burgers had ook uitvoerende macht (via de raad, boule).
Het debat over de ideale samenleving werd voornamelijk gevoerd door democraten en aristocraten, maar ook de sofisten droegen hun steentje bij. Sofisten waren goed getraind in de retoriek en gaven ook les in deze kunde. Ze leerden hun studenten hoe zij anderen van hun gelijk konden overtuigen. Deze vaardigheid was in de Griekse politiek van groot belang: in Athene moest men bijvoorbeeld de volksvergadering, waar tussen 6000 en 8000 burgers per keer aanwezig waren, kunnen overtuigen. De sofisten waren dan ook niet op zoek naar de waarheid, maar naar het verhaal dat het meest overtuigde. Deze houding maakte dat het debat geopend werd voor andere geluiden: een essentiële bijdrage in de verdere ontwikkeling van het Atheense staatsbestel.
De fabel van Aesopus verdedigt niet direct het standpunt van óf de democraten óf de aristocraten van Athene, maar maakt inzichtelijk hoe de politieke verhoudingen in de polis liggen. Aesopus laat zien dat alle onderdelen van het lichaam nodig zijn om het geheel te laten functioneren. Dit was in Athene ook het geval: alle sociale klassen, niet alleen de Atheense burgers, waren in de polis nodig.
De fabel van Aesopus werd in de tijd veelvuldig gebruikt in het politieke vertoog. Eendracht en samenwerken waren sleutelwoorden in het politieke vertoog van die tijd. In een decreet van Themistokles uit 480 voor Christus, bijvoorbeeld, werden ballingen teruggeroepen naar Athene. De Atheners zouden gezamenlijk de Perzen moeten verslaan.
In de eerste eeuw voor Christus duikt de fabel bij de Romeinen voor het eerst op. De historicus Livius laat in zijn werk Vanaf de stichting van de stad (Ab urbe condita) de politicus Menenius Agrippa een toespraak houden waarin de fabel verwerkt is. 'De lichaamsdelen vonden het oneerlijk dat zij altijd de zorg droegen voor de maag en zich moesten inspannen om de maag niets te kort te laten komen, terwijl de maag zelf niets hoefde te doen dan genieten van de goede dingen die hij kreeg aangeboden.' De ledematen smeden dan een complot tegen de maag. Dit complot werkt uiteindelijk tegen de ledematen, omdat ze zelf verzwakt raken. Ze zijn gedwongen hun protest op te geven en moeten erkennen dat de maag, net als de overige ledematen, niet gemist kan worden.
Livius schrijft hier over het jaar 494 voor Christus, waarin de klassenstrijd in Rome tot een hoogtepunt kwam. De rijke patriciërs hadden alle politieke macht naar zich toegetrokken en vervolgens hun sociale klasse gesloten: patriciër was een Romein voortaan alleen nog als hij in deze klasse geboren was. De plebejers, alle Romeinen die niet tot de klasse van de patriciërs behoorden, kwamen in opstand tegen deze gang van zaken. Volgens Livius vertrokken in het jaar 494 voor Christus de soldaten, die tot de klasse van de plebejers hoorden, uit Rome. Dat had tot gevolg dat Rome onbeschermd was.
In de toespraak van Menenius Agrippa staat de maag voor de klasse van de patriciërs; de ledematen voor de plebejers. Opnieuw blijkt dat beide sociale klassen elkaar nodig hebben. Livius vertelt in de regels na de toespraak dat er na de opstand maatregelen werden genomen die voor harmonie in de samenleving moest zorgen. Zoals de ledematen uiteindelijk weer energie kregen van de maag, zo kregen de plebejers meer zeggenschap in Rome.
Onder de invloed van het Christendom werden de fabels van Aesopus opnieuw geïnterpreteerd. In de Griekse Oudheid werd na elke fabel al een regel toegevoegd met de moraal van de fabel, zodat retoren gemakkelijk een fabel konden vinden om in een rede te gebruiken. Nu kregen de fabels van Aesopus een moraal mee die binnen de christelijke religie paste. Vaak passen ze qua toon niet bij de fabel: de fabel is bondig en geestig, terwijl de moraal braaf en voorspelbaar is. Zo ook in het geval van de fabel over de dialoog tussen de lichaamsdelen. Daar luidt de moraal: 'Geen energie zonder brandstof.'
Tijdens de Middeleeuwen, in het gebied dat nu Nederland en Vlaanderen is, zijn de fabels van Aesopus vertaald naar de volkstaal en vervolgens telkens weer overgeschreven. De bron voor deze vertalingen was niet Aesopus zelf, maar een Latijnse bewerking die dateert uit de vijfde eeuw. Het is niet duidelijk wanneer de eerste Nederlandse vertaling van de fabels precies gemaakt is, maar het is aannemelijk dat deze in de dertiende eeuw gemaakt is. Immers, Jacob van Maerlant schrijft in een werk uit 1284 over de Nederlandstalige versie van de fabels van Aesopus.
Een handschrift dat Esopet, oftewel kleine Aesopus, genoemd wordt, is de bekendste vertaling van fabels in de Nederlandse volkstaal. Jacob van Maerlant schrijft dat Calfstaf en Noydekijn de auteurs zijn van het handschrift. Het is nu echter niet bekend wie deze twee mannen waren en of ze echt de auteurs van de Esopet waren.
In het handschrift bevindt zich ook de fabel over de dialoog van de lichaamsdelen. Een van de opvallendste verschillen met de voorgaande versies van de fabel over de dialoog van de lichaamsdelen is dat de Esopet met rijm werkt. Bovendien valt op dat deze fabel in de Esopet meer gemeen heeft met de versie van Livius dan met de versie van Aesopus. In de Nederlandse versie staken alle ledematen tegen de buik, net als bij Livius, en niet alleen de voeten, zoals bij Aesopus. Dit kan verklaard worden uit het feit dat de vertaler alleen indirect op de fabels van Aesopus teruggrijpt; via de Latijnse bron.
In de vroegmoderne periode vinden we de fabel over de maag en de lichaamsdelen verspreid over heel West-Europa. In literaire teksten wordt het hoofdthema van de fabel volop bewerkt voor de eigen politieke situatie. In vrijwel alle literaire werken uit de vroegmoderne tijd zien we dat de auteurs teruggrijpen op Livius' Ab urbe condita. Erasmus, bijvoorbeeld, noemt in zijn Lof der Zotheid (1511) vluchtig dat de Romeinse plebejers werden overgehaald terug te keren naar de stad Rome vanwege 'een kinderachtig en belachelijk verzinsel over de maag en de andere lichaamsdelen'. Waarschijnlijk was het gebruiken van Livius als bron het gevolg van een overduidelijke politieke boodschap die ook in de vroegmoderne tijd nog relevant was. Ik zal in het vervolg een aantal van de meest bekende, vroegmoderne en literaire versies van de fabel bespreken.
In het vroegmoderne Engeland is de fabel veelvuldig bewerkt, onder andere door Shakespeare (1564-1616) in zijn toneelstuk Coriolanus. Deze tragedie, die geschreven werd tussen 1605 en 1608, is gebaseerd op dat wat Livius schrijft over de opstand van de plebejers. In het toneelstuk praat Menenius Agrippa met het woedende volk over de reden van hun opstand. Hij vertelt ze de fabel over de opstand van de ledematen tegen de maag om de boze menigte duidelijk te maken wat de patriciërs voor hen doen.
Bijna een eeuw later, tegen het einde van de zeventiende eeuw, schrijft Jean de La Fontaine (1621-1695) over een koninklijke maag en ledematen die zijn luie gedrag niet meer pikken. 'Laten we ervoor zorgen dat zijne hoogheid op lucht moet leven', besluiten de ledematen. Aan het eind van de fabel moeten de ledematen toegeven, zoals in elke versie die we gezien hebben, dat de maag toch goed werk voor het gehele lichaam doet.
In de fabel van La Fontaine wordt veel meer dan in andere versies van de fabel stelling genomen in het politieke debat. Er wordt in de tweede paragraaf van de fabel nog eens uitgelegd dat de koning nuttige zaken verricht voor de gehele maatschappij. 'De koning geeft en neemt. Allen werken voor zijn bestaan, en de koning werkt voor allen.' In het slot van zijn fabel versterkt La Fontaine dit standpunt door de fabel nogmaals te vertellen. Hij doet dit door de toespraak van Menenius Agrippa op zo'n manier aan te halen dat deze perfect binnen het politieke standpunt past.
La Fontaines verzameling van fabels was erg populair, waardoor hij zich kon opwerken tot de allerhoogste klassen in Frankrijk. Zo werd La Fontaine lid van de prestigieuze Académie française; een orgaan dat advies geeft over de Franse taal en bijvoorbeeld woordenboeken uitbrengt. Ook was La Fontaine politiek actief: in de beweging die zich tegen de absolute macht van koning Lodewijk XIV, die toen regeerde, verzette. Het is niet onmogelijk dat La Fontaine en koning Lodewijk XIV elkaar ontmoet hebben.
Een heel specifieke, politieke invulling kreeg de fabel in de moderne tijd (dat is de periode vanaf grofweg de negentiende eeuw tot en met de Tweede Wereldoorlog), bij Karl Marx en zijn navolgers. Marx gebruikt in zijn boek Loon, prijs en winst (1898) de vergelijking die Menenius Agrippa in zijn rede had verwerkt, om een macro-economische situatie toe te lichten. Marx wilde laten zien dat de salarissen van arbeiders niet vastgelegd waren in absolute, economische wetten. Het loon van een arbeider hangt af van, zo zegt Marx, de grenzen aan de hebzucht van de kapitalist.
In de fabel staat de maag voor de kapitalist en de arbeiders worden voorgesteld als de ledematen. De maag geeft de ledematen na hun opstand energie, zoals een kapitalist het salaris van arbeiders betaalt na hun opstand. Marx beredeneert dan dat wanneer iets veranderd kan worden door de kapitalist, er ook iets veranderd kan worden tegen de wil van de kapitalist in. Oftewel: het salaris van arbeiders kan verhoogd worden tegen de zin van de kapitalist. Dat is mogelijk, volgens Marx, doordat de fabel onvolledig is. Er wordt namelijk buiten beschouwing gelaten dat de ledematen van de ene persoon de maag van een ander kunnen vullen.
De Duitse theatermaker Bertold Brecht (1898-1956) bewerkte Shakespeares toneelstuk Corolianus tot een marxistisch stuk. Brecht gebruikte de fabel om de marxistische klassenstrijd te verduidelijken. Net als bij Marx zelf worden de arbeiders vergeleken met de ledematen en de maag met de elite, de kapitalisten. In het stuk van Brecht wordt verteld hoe de arbeiders in opstand komen tegen de elite.
Marx heeft een eigen theorie over het verloop van die klassenstrijd. Voor een groot deel komt deze overeen met dat wat Brecht in zijn toneelstuk daarover zegt. Marx stelt dat er op een onbepaald moment een opstand van de arbeidersklasse zal uitbreken tegen de elite. De arbeiders zijn op dat moment zo uitgebuit door de elite dat ze het deel van de productie waar ze recht op hebben, zullen opeisen bij de elite. De elite zal nooit bereid zijn tot concessies, zegt Marx, waardoor de klassenstrijd eeuwig blijft voortduren. Marx stelt dat het hele systeem veranderd moet worden om de klassenstrijd te stoppen. Volgens de versie van de fabel bij Brecht wordt het kapitalistische systeem al snel omver geworpen: één opstand van de ledematen is daarvoor genoeg. Daarna worden de verhoudingen tussen de ledematen en de maag opnieuw geformuleerd. De maag en de ledematen zijn nu gelijk aan elkaar, zoals Marx zich de ideale samenleving voorstelde.
Verder zien we in deze periode de fabel verschijnen in (oud-)kolonies van West-Europese landen. In de Nederlandse kolonie Indonesië bijvoorbeeld. Daar heeft Jan de Vries een fabel van het type Debate of the belly and the members gehoord en op schrift gesteld. Zo vinden we ook bij de Ekoi uit het noorden van Kameroen een fabel van dit type. In deze fabel wordt uitgelegd waarom de ledematen de buik moeten gehoorzamen.
In de contemporaine periode heeft de fabel over de dialoog van de lichaamsdelen de specifiek politieke invulling verloren. We vinden de fabel nu vooral als grapje en met enige regelmaat in een seksuele context. In de verhalenbank staat bijvoorbeeld een mop, waarin vlak na de schepping van de mens alle ledematen streden om de macht. De penis weigerde dienst toen de andere ledematen hem de macht niet gaven. Uiteindelijk moesten zij toegeven en de penis werd de baas. De mop krijgt aan het slot een andere wending, want daar wordt de baas (in een werksituatie) plots vergeleken met de penis, omdat deze allebei 'een hoop gezeik produceren'.
Literatuur
Aarne-Thompson, 'The types of the folktale: a classification and bibliography', in: FF Communications 184 (Helsinki 1964).
Aisopos, Fabels: geselecteerd en ingeleid door Hein L. van Dolen (Nijmegen 1997), 21.
Erasmus, D., Lof der Zotheid (1511).
Gombel, H., Die Fabel "Vom Magen und den Gliedern" in der Weltliteratur (Halle 1934).
Hoefmans, 'De speech van Menenius Agrippa', in: KLEIO 22:1 (1992).
Kuiper, W., 'De Middelnederlandse Esopet', in: Spektator: tijdschrift voor neerlandistiek 21:1 (1992).
Marx, K., Loon, prijs en winst (1898).
Naerebout, F.G. en H.W. Singor, De Oudheid: Grieken en Romeinen in de context van de wereldgeschiedenis (Amsterdam 2001).
Patterson, A., Fables of power: Aesopian writing and political history (Durham en Londen 1991).
Pirenne, H., Mohammed and Charlemagne (1937).
Talbot, P.A., In the shadow of the bush (New York en Londen 1912).
Rudolph, V.C., 'Going to Grass; or 'Corolianus' revisited', in: Educational theatre journal 27:4 (1975).
Vries, J, de., Volksverhalen uit Oost-Indië (sprookjes en fabels) (Zutphen 1925).
Wiedemann, A., Popular literature of ancient Egypt (1995), 16-17.
Aisopos, Fabels: geselecteerd en ingeleid door Hein L. van Dolen (Nijmegen 1997), 21.
Erasmus, D., Lof der Zotheid (1511).
Gombel, H., Die Fabel "Vom Magen und den Gliedern" in der Weltliteratur (Halle 1934).
Hoefmans, 'De speech van Menenius Agrippa', in: KLEIO 22:1 (1992).
Kuiper, W., 'De Middelnederlandse Esopet', in: Spektator: tijdschrift voor neerlandistiek 21:1 (1992).
Marx, K., Loon, prijs en winst (1898).
Naerebout, F.G. en H.W. Singor, De Oudheid: Grieken en Romeinen in de context van de wereldgeschiedenis (Amsterdam 2001).
Patterson, A., Fables of power: Aesopian writing and political history (Durham en Londen 1991).
Pirenne, H., Mohammed and Charlemagne (1937).
Talbot, P.A., In the shadow of the bush (New York en Londen 1912).
Rudolph, V.C., 'Going to Grass; or 'Corolianus' revisited', in: Educational theatre journal 27:4 (1975).
Vries, J, de., Volksverhalen uit Oost-Indië (sprookjes en fabels) (Zutphen 1925).
Wiedemann, A., Popular literature of ancient Egypt (1995), 16-17.
