Hoofdtekst
De heinproef.*
Er was eens een huurboer, die had een nieuwen landheer gekregen. Kort daarna kwam eene deftig en fraai gekleede vrouw de woning van den boer bezoeken. Zij maakte zich bekend als de nieuwe landvrouw - vrouw van den landheer. De boerin ontving haar vriendelijk en beijverde zich haar zoo goed, mogelijk te onthalen. Toen haar man des avonds van zijn werk tehuis kwam, bevreemdde dit geval den boer wel wat, maar hij zeide dit niet en was ook zeer beleefd en vriendelijk. Toch trok het zijne aandacht, dat de vrouw bijzonder groot en forschgebouwd was en in haar doen en spreken wel wat ongemanierd. Maar hij kende haar niet, hij had de nieuwe landvrouw niet eerder gezien.
Des avonds begon het hard te regenen en werd het buiten zeer duister. Een man te paard bevond zich op den weg, en op eenigen afstand het licht eener boerenwoning ziende, besloot hij daarheen te rijden. Maae op de « reed» van den boer (het wagenpad van den algemeenen weg naar het boerenhuis) wilde het paard niet vooruit; het dier scheen telkens te steigeren voor iets verdachts. Ook de man meende in den onderwal der sloot naast het wagenpad manshoofden en zelfs wapens op te merken. Na veel moeite kwam hij toch op het erf. Hij klopte aan, maar ontving op zijn verzoek om nachtverblijf een weigerend antwoord, omdat de boer zijne landvrouw aan huis had. Of de vreemdeling al aanhield, de boer meende te moeten blijven weigeren. Eindelijk zeî de reiziger fluisterend, dat hij den boer misschien voor een groot onheil zou kunnen bewaren. Toen liet de boer den man binnen komen en wees hem eene plaats bij den haard aan, terwijl het paard naar den stal werd gebracht. Toen de reiziger de landvrouw zag en hoorde kreeg hij nog meer argwaan en gaf den boer ongemerkt een teeken om mede naar den veestal te gaan. Daar gekomen, deelde de man zijne vermoedens mede. De boer zeide nu, dat hij het zijne ook al van die vrouw had gedacht; maar hoe achter de waarheid te komen? «Wel,» zeî de reiziger, «hebt gij geen appels in huis?» - «Zeer zeker.» - «Geef mij daarvan eenigen,» vervolgde de man, «ik steek die in mijne zakken en zijn wij weêr bij het gezelschap, dan vraag ik of men van een appel gediend zal zijn. Van mijne zitplaats af werp ik ieder der aanwezigen een toe, ook de landvrouw. Let er dan op! Is zij eene vrouw dan slaat zij, om den appel te heinen (op te vangen), de knieën vaneen waardoor zij haren schoot verbreedt. Maar hebben wij met een man te doen, dan zal hij de knieën tegen elkander slaan. Blijkt het dat de gewaande landvrouw een man is, dan laten wij niets merken. Ik pak hem onverhoeds aan en gij springt dadelijk bij, want hij zal wel gewapend zijn.»
Met de noodige appels voorzien, kwam men terug. En toen de vreemdeling zoo vriendelijk was ieder der aanwezigen een appel aan te bieden, weigerde niemand, ook de landvrouw niet. Zij was de laatste wie hij er een toewierp. En ja! zij sloeg de knieën te zamen om den appel te «heinen». Nu had men zekerheid, maar hield zich bedaard. Doch de reiziger stond op om eens buiten te zien naar het weder. Maar achter den als vrouw vermomden gauwdief komende greep hij diens beide armen vast. De boer sprong te hulp en te zamen konden zij den schavuit wel vermeesteren. Onder de vrouwenkleeding was allerlei moordtuig en ook een moordenaarsfluitje. Aan handen en voeten gebonden werd de gauwdief voorloopig aan kant gelegd. Verder werd dwars over het pad of den gang achter het op stal staande vee een lijn gespannen, even boven den grond. De boer en zijne knechten plaatsten zich goed gewapend op de stallen tusschen de koeien. De reiziger opende de staldeur en blies op het fluitje, waarna hij zich verschool. Weldra kwamen de gauwdieven, die langs het wagenpad in het riet hadden gelegen, den stal binnen, maar over de gespannen lijn tuimelden zij voorover en werden door de op wacht staande mannen met dikke knuppels begroet, Toen de nachtelijke bezoekers allen machteloos op en over elkander lagen werd er licht bij gehaald en nu ontdekte men dat men met eene bende zwaargewapende moordenaars had te doen gehad.
*Het friesche woord heinen is: iets opvangen dat valt of glijdt of door iemand wordt toegeworpen.
Er was eens een huurboer, die had een nieuwen landheer gekregen. Kort daarna kwam eene deftig en fraai gekleede vrouw de woning van den boer bezoeken. Zij maakte zich bekend als de nieuwe landvrouw - vrouw van den landheer. De boerin ontving haar vriendelijk en beijverde zich haar zoo goed, mogelijk te onthalen. Toen haar man des avonds van zijn werk tehuis kwam, bevreemdde dit geval den boer wel wat, maar hij zeide dit niet en was ook zeer beleefd en vriendelijk. Toch trok het zijne aandacht, dat de vrouw bijzonder groot en forschgebouwd was en in haar doen en spreken wel wat ongemanierd. Maar hij kende haar niet, hij had de nieuwe landvrouw niet eerder gezien.
Des avonds begon het hard te regenen en werd het buiten zeer duister. Een man te paard bevond zich op den weg, en op eenigen afstand het licht eener boerenwoning ziende, besloot hij daarheen te rijden. Maae op de « reed» van den boer (het wagenpad van den algemeenen weg naar het boerenhuis) wilde het paard niet vooruit; het dier scheen telkens te steigeren voor iets verdachts. Ook de man meende in den onderwal der sloot naast het wagenpad manshoofden en zelfs wapens op te merken. Na veel moeite kwam hij toch op het erf. Hij klopte aan, maar ontving op zijn verzoek om nachtverblijf een weigerend antwoord, omdat de boer zijne landvrouw aan huis had. Of de vreemdeling al aanhield, de boer meende te moeten blijven weigeren. Eindelijk zeî de reiziger fluisterend, dat hij den boer misschien voor een groot onheil zou kunnen bewaren. Toen liet de boer den man binnen komen en wees hem eene plaats bij den haard aan, terwijl het paard naar den stal werd gebracht. Toen de reiziger de landvrouw zag en hoorde kreeg hij nog meer argwaan en gaf den boer ongemerkt een teeken om mede naar den veestal te gaan. Daar gekomen, deelde de man zijne vermoedens mede. De boer zeide nu, dat hij het zijne ook al van die vrouw had gedacht; maar hoe achter de waarheid te komen? «Wel,» zeî de reiziger, «hebt gij geen appels in huis?» - «Zeer zeker.» - «Geef mij daarvan eenigen,» vervolgde de man, «ik steek die in mijne zakken en zijn wij weêr bij het gezelschap, dan vraag ik of men van een appel gediend zal zijn. Van mijne zitplaats af werp ik ieder der aanwezigen een toe, ook de landvrouw. Let er dan op! Is zij eene vrouw dan slaat zij, om den appel te heinen (op te vangen), de knieën vaneen waardoor zij haren schoot verbreedt. Maar hebben wij met een man te doen, dan zal hij de knieën tegen elkander slaan. Blijkt het dat de gewaande landvrouw een man is, dan laten wij niets merken. Ik pak hem onverhoeds aan en gij springt dadelijk bij, want hij zal wel gewapend zijn.»
Met de noodige appels voorzien, kwam men terug. En toen de vreemdeling zoo vriendelijk was ieder der aanwezigen een appel aan te bieden, weigerde niemand, ook de landvrouw niet. Zij was de laatste wie hij er een toewierp. En ja! zij sloeg de knieën te zamen om den appel te «heinen». Nu had men zekerheid, maar hield zich bedaard. Doch de reiziger stond op om eens buiten te zien naar het weder. Maar achter den als vrouw vermomden gauwdief komende greep hij diens beide armen vast. De boer sprong te hulp en te zamen konden zij den schavuit wel vermeesteren. Onder de vrouwenkleeding was allerlei moordtuig en ook een moordenaarsfluitje. Aan handen en voeten gebonden werd de gauwdief voorloopig aan kant gelegd. Verder werd dwars over het pad of den gang achter het op stal staande vee een lijn gespannen, even boven den grond. De boer en zijne knechten plaatsten zich goed gewapend op de stallen tusschen de koeien. De reiziger opende de staldeur en blies op het fluitje, waarna hij zich verschool. Weldra kwamen de gauwdieven, die langs het wagenpad in het riet hadden gelegen, den stal binnen, maar over de gespannen lijn tuimelden zij voorover en werden door de op wacht staande mannen met dikke knuppels begroet, Toen de nachtelijke bezoekers allen machteloos op en over elkander lagen werd er licht bij gehaald en nu ontdekte men dat men met eene bende zwaargewapende moordenaars had te doen gehad.
*Het friesche woord heinen is: iets opvangen dat valt of glijdt of door iemand wordt toegeworpen.
Onderwerp
ATU 0958F* - Test of Sex: Catching an Apple.   
VDK 0958G* - De appelvangproef   
sinVDK 0958G* - Die Fangprobe   
Beschrijving
Een boer en zijn vrouw krijgen een nieuwe landheer. Korte tijd daarna komt er een vrouw aan de deur die zegt de vrouw van de landheer te zijn. De boerin laat haar binnen. De boer heeft zijn bedenkingen: de vrouw is grofgebouwd en wat ongemanierd, maar hij zegt niets. 's Avonds vraagt een reiziger om onderdak. Hij overtuigt de boer hem binnen te laten door hem te zeggen dat hij hem voor groot onheil kan behoeden: onderweg heeft hij mannen met wapens gezien. Ook de reiziger heeft zijn bedenkingen bij de vrouw en wil testen of ze met een man of een vrouw te maken hebben. Hij zal haar een appel toegooien; is ze werkelijk een vrouw, dan zal ze haar knieën uiteenspreiden om de appel te vangen (heinen), hebben ze echter met een man van doen, dan zal deze de knieën bijeenslaan. Het laatste gebeurt. De boer en de reiziger overmeesteren de man en zien dat deze veel wapens bij zich heeft en een moordenaarsfluitje waarmee de man zijn bendeleden kan lokken. De boer en de reiziger lokken de rest van de dievenbende naar binnen en overmeesteren hen eveneens.
Bron
Waling Dykstra: Uit Friesland's volksleven van vroeger en later: volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen. Leeuwarden [1896], deel 2, 91-93.
