Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

DYKFRIES2032 - Een emmer in de gracht

Een sage (boek), 1896

Hoofdtekst

Een emmer in de gracht.
Het was op zekeren dag in den laten herfst, tegen den avond en nog niet duister, toen een onbekend persoon aan een boerenhuis onderdak en nachtverblijf kwam vragen. Het was in den tijd toen de boeren aan zoo iets gewoon waren. Rondzwervend volk van allerlei slag was toen veel talrijker dan thans, en gemoedelijke landlieden meenden een christenplicht te doen als zij arme vreemdelingen herbergden en van spijs en drank voorzagen.
De zwerveling van wien ik begon te vertellen vond alleen de boerin met een paar nog jonge kinderen tehuis. De mannen waren aan den veldarbeid. Zij liet den vreemdeling binnen en gaf hem plaats bij den haard, waarnaast een pot met pasgekookte rijstebrij stond, bestemd voor het avondmaal van het gezin. Toen nu de man klaagde, dat hij koud was en ook den geheelen dag nog niet veel te eten had gehad, was de gulhartige vrouw terstond bereid hem een schotel warme brij op te scheppen en vóór te zetten. Hierop had zij iets buitenshuis te verrichten, maar zij was daar slechts eenige oogenblikken geweest, toen een harer kinderen bij haar kwam geloopen en zeide: «mem, die man heeft suiker in onze brij gedaan, een geheel zakjevol heeft hij er in uitgestort en er doorgeroerd.» Dit kwam de vrouw zeer verdacht voor. Maar hoe achter het ware van de zaak te komen? Zij vond er spoedig iets op uit. Zij wierp een emmer in de gracht, liep toen naar binnen en zeide: «och, goede vriend, zoudt gij mij wel een dienst willen bewijzen? Ik was bij de gracht bezig mijne emmers te boenen; een ervan is mij ontvallen en zoover naar de overzijde gedreven, dat ik hem niet kan bereiken. Zoudt gij niet willen beproeven den emmer terug te krijgen? Er ligt daar bij de gracht wel een lange stok, dien gij er voor kunt gebruiken.»
Dit kon de man niet wel weigeren; hij ging heen om den emmer op te visschen. Den schotel met brij had hij ongeveer tot op de helft ledig gegeten. De boerin goot nu het overgeblevene in den brijpot en schepte daaruit eene gelijke hoeveelheid weêr in den schotel. Na verrichtten arbeid kwam de vreemdeling terug en begon opnieuw te eten. Maar nu duurde 't niet lang of hij werd ongesteld in zoo erge mate dat zijn leven in gevaar scheen. De boer en zijne knechten waren inmiddels tehuis gekomen en haastig werd iemand naar het dorp gezonden om den dokter en tegelijk den grietman te halen. De beide heeren kwamen. De dokter verklaarde dat de man vergiftigd was, maar slaagde er in hem van den dood te redden. En nu door den grietman onder handen genomen, bekende hij dat hij het geheele boerengezin had willen vergiftigen om dan ongehinderd te kunnen stelen.

Onderwerp

VDK 0958H* - De emmer in de gracht    VDK 0958H* - De emmer in de gracht   

Beschrijving

Op een avond vraagt een vreemdeling onderdak bij een boerderij. De boerin verleent hem onderdak en biedt hem een bord brij aan. Zelf moet zij even naar buiten. Een van haar kinderen komt haar vertellen dat de vreemdeling veel suiker in de pan met pap heeft gedaan. Dit vindt de boerin verdacht. Ze werpt een emmer in de gracht en vraagt de vreemdeling deze er voor haar uit te halen. Ondertussen wisselt ze zijn bord pap voor een bord met brij uit de pan. De vreemdeling wordt onwel. De boer, die met zijn knechten thuis is gekomen, laat de dokter en de grietman (voorloper van deels de burgemeester en deels de rechter) roepen. De dokter redt de vreemdeling van de dood, de grietman neemt hem onder handen omdat hij het gezin heeft willen vergiftigen om rustig te kunnen stelen.

Bron

Waling Dykstra: Uit Friesland's volksleven van vroeger en later: volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen. Leeuwarden [1896], deel 2, 93-94.