Hoofdtekst
Doodslaap.
Zeker boer had een zoon, die zeer lui en slaperig was. Des morgens was hij bijna niet uit het bed te krijgen en dit maakte zijn vader dikwijls zeer driftig en boos. Op zekeren morgen, in een tijd toen het met de boerderij zeer druk liep, was de luiaard al weêr even moeielijk tot opstaan te bewegen. En de vader, toen hij, voor de zooveelste maal bij het bed komende, den jongeling nog altijd slapende vond, riep in een vlaag van gramschap: «Nu, slaap dan maar tot in alle eeuwigheid door; het is afgezworen dat ik je weêr zal roepen.» En de zoon, de dekens dichter om zich toe trekkende, viel op nieuw in een diepen slaap. En hij sliep door, altijd maar door, tot hij eindelijk tot een hoopje stof en pulver samenviel.
Zeker boer had een zoon, die zeer lui en slaperig was. Des morgens was hij bijna niet uit het bed te krijgen en dit maakte zijn vader dikwijls zeer driftig en boos. Op zekeren morgen, in een tijd toen het met de boerderij zeer druk liep, was de luiaard al weêr even moeielijk tot opstaan te bewegen. En de vader, toen hij, voor de zooveelste maal bij het bed komende, den jongeling nog altijd slapende vond, riep in een vlaag van gramschap: «Nu, slaap dan maar tot in alle eeuwigheid door; het is afgezworen dat ik je weêr zal roepen.» En de zoon, de dekens dichter om zich toe trekkende, viel op nieuw in een diepen slaap. En hij sliep door, altijd maar door, tot hij eindelijk tot een hoopje stof en pulver samenviel.
Beschrijving
Een boer heeft een zoon die erg lui is. 's Ochtends is de jongen niet uit bed te krijgen. Woedend roept de boer hem toe dat hij dan maar tot in de eeuwigheid moet blijven slapen. De jongen trekt de dekens nog eens lekker om zich heen en blijft maar slapen. Hij slaapt tot hij tot een hoopje stof ineenvalt.
Bron
Waling Dykstra: Uit Friesland's volksleven van vroeger en later: volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen. Leeuwarden [1896], deel 2, 98.