Hoofdtekst
Drie wenschen.
Er waren eens een paar arme lieden, die met werken den kost moesten verdienen en zij hadden een zoon, die nog te klein was om te kunnen werken. Deze menschen waren vlijtig en zuinig; zij hadden altijd werk en waren er dus voor lieden van hunnen stand niet zoo heel erg aan toe. Maar man en vrouw beide waren wat ontevreden uitgevallen. Zij wenschten altijd om meer. Zij zouden gaarne het geld wat minder schaars willen hebben, om wat ruimer en tevens wat gemakkelijker te kunnen leven. Hierover waren ze gedurig aan het morren.
Nu gebeurde 't eens dat vader, moeder en zoon op een avond in hun kamertje zaten bij het licht van een brandend vuurtje, - toen er op eens een witte juffer in het vertrek verscheen. Zij verschrikten wel wat, maar dit bedaarde spoedig toen de verschijning hun vriendelijk toesprak en zeide: «Nu moogt gij alle drie ieder een wensch doen: vader één, moeder één en het zoontje één.»
Dit had de witte juffer nauwelijks gezegd of zij verdween. - Een poosje zaten de goede lieden elkander sprakeloos aan te kijken. Het zoontje was de eerste die het zwijgen afbrak en zeide: «Moeder, mag ik nu het eerste wenschen?» - «Ja,» zeî de moeder, «dat is goed, maar pas op! wensch nu niet verkeerd.» - «Neen, » zeî de knaap: «ik wou wel dat ik een mandje vol kooten had.» Hij had het niet gezegd of ziedaar! een fraai mandje gevuld met mooie gladde kooten stond vóór hem op den vloer. - Maar zijne moeder was zeer verontwaardigd en riep uit: «Domme jongen! hoe krijg je 't toch zoo zot in je hoofd? Ik wou dat jij je mandje met kooten aan je neus hadt.» Deze wensch werd ook vervuld; de knaap had het mandje met kooten aan zijn neus hangen. Zóó was 't niet gemeend, maar dit hielp niet. Of hij aan het mandje rukte en of zijne moeder hem hielp rukken, het zat voor goed aan den neus vastgegroeid, en 't rukken er aan deed den knaap zooveel pijn, dat hij 't uitschreeuwde.
Wat nu te doen? Het was toch een leelijk vooruitzicht, levenslang onder de menschen te moeten rondloopen met een mandjevol kooten aan den neus! Nu, de vader had zijn wensch nog te doen en nu zat er niets op dan dat hij maar wenschte, dat het mandje weêr van den neus mocht afvallen. Hij wensche dit en het gebeurde.
«Ach, hoe jammer!» zeî de moeder met een zucht, «Nu hebben we alle drie gewenscht en nu hebben we nog niets.» - «Ja,» zeî de jongen, «ik heb een mandjevol mooie kooten, dat is altijd mijn verlangen geweest.
Er waren eens een paar arme lieden, die met werken den kost moesten verdienen en zij hadden een zoon, die nog te klein was om te kunnen werken. Deze menschen waren vlijtig en zuinig; zij hadden altijd werk en waren er dus voor lieden van hunnen stand niet zoo heel erg aan toe. Maar man en vrouw beide waren wat ontevreden uitgevallen. Zij wenschten altijd om meer. Zij zouden gaarne het geld wat minder schaars willen hebben, om wat ruimer en tevens wat gemakkelijker te kunnen leven. Hierover waren ze gedurig aan het morren.
Nu gebeurde 't eens dat vader, moeder en zoon op een avond in hun kamertje zaten bij het licht van een brandend vuurtje, - toen er op eens een witte juffer in het vertrek verscheen. Zij verschrikten wel wat, maar dit bedaarde spoedig toen de verschijning hun vriendelijk toesprak en zeide: «Nu moogt gij alle drie ieder een wensch doen: vader één, moeder één en het zoontje één.»
Dit had de witte juffer nauwelijks gezegd of zij verdween. - Een poosje zaten de goede lieden elkander sprakeloos aan te kijken. Het zoontje was de eerste die het zwijgen afbrak en zeide: «Moeder, mag ik nu het eerste wenschen?» - «Ja,» zeî de moeder, «dat is goed, maar pas op! wensch nu niet verkeerd.» - «Neen, » zeî de knaap: «ik wou wel dat ik een mandje vol kooten had.» Hij had het niet gezegd of ziedaar! een fraai mandje gevuld met mooie gladde kooten stond vóór hem op den vloer. - Maar zijne moeder was zeer verontwaardigd en riep uit: «Domme jongen! hoe krijg je 't toch zoo zot in je hoofd? Ik wou dat jij je mandje met kooten aan je neus hadt.» Deze wensch werd ook vervuld; de knaap had het mandje met kooten aan zijn neus hangen. Zóó was 't niet gemeend, maar dit hielp niet. Of hij aan het mandje rukte en of zijne moeder hem hielp rukken, het zat voor goed aan den neus vastgegroeid, en 't rukken er aan deed den knaap zooveel pijn, dat hij 't uitschreeuwde.
Wat nu te doen? Het was toch een leelijk vooruitzicht, levenslang onder de menschen te moeten rondloopen met een mandjevol kooten aan den neus! Nu, de vader had zijn wensch nog te doen en nu zat er niets op dan dat hij maar wenschte, dat het mandje weêr van den neus mocht afvallen. Hij wensche dit en het gebeurde.
«Ach, hoe jammer!» zeî de moeder met een zucht, «Nu hebben we alle drie gewenscht en nu hebben we nog niets.» - «Ja,» zeî de jongen, «ik heb een mandjevol mooie kooten, dat is altijd mijn verlangen geweest.
Onderwerp
AT 0750A - The Three Wishes   
ATU 0750A - The Three Wishes   
VDK 0750A - The Three Wishes   
Beschrijving
Een man en een vrouw leven met hun zoon een armoedig bestaan. De man en de vrouw zijn vaak ontevreden en willen graag meer. Op een avond verschijnt er een witte juffer in hun kamer waarvan ze drie wensen mogen doen, elk een. Het jongetje wenst als eerste: een mandje vol knikkers. Zijn moeder wordt kwaad over deze onhandige wens en roept uit dat ze wel wou dat het mandje aan zijn neus hing, het is zoals ze zegt en hiermee is haar wens verspeeld. De vader moet zijn wens gebruiken om het mandje weer los te wensen. Alleen de zoon is tevreden, hij heeft een mandje knikkers, zoals hij altijd al wou.
Bron
Waling Dykstra: Uit Friesland's volksleven van vroeger en later: volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen. Leeuwarden [1896], deel 2, 126-127
Motief
J2071 - Three foolish wishes.   
D1761.0.2 - Limited number of wishes granted.   
