Hoofdtekst
Spookhuizen:
Op de Zandberg, een Heldens gehucht, staat een boerderij van iets afwijkend type, misschien een eeuw oud. De woning is twee stok en ruim. Hier woonde in onze jeugd “Faesse Janne”, ook wel, “Duutsje Janne”. Deze laatste bijnaam kreeg hij vermoedelijk, omdat over hem het gerucht ging, dat hij lid was van de z.g. Duitse, (of Dietse) Bond. Over bestaan en doelstelling is ons niet meer bekend, als dat de bond vermoedelijk een politieke strekking had, en het gerucht ook wel eens ging dat het Vrijmetselaars waren. Deze “Duutsje Janne” was een boer, die in ontwikkeling en standing boven zijn omgeving stond. Hij schijnt geen man te zijn geweest, die zich van de samenleving veel aantrok. Hij stond bekend als weinig kerks. Ook was hij verdacht van bedriegerijen. Er was in zijn huis een logement en café.
Vroeger hadden de grotere boeren in deze zand- en veengebieden een troep schapen. Deze werden opgekocht door handelaren, die deze in grote steden, als Keulen en Brussel ter markt brachten. De schapen werden nog niet per spoor of schip vervoerd, doch door schepers langs de wegen naar hun doel gehoed! Aan het eind van iedere dag deden ze een logement aan, waar de schapen, en de herder onderdak vonden. Het logement van den Duutsje Janne werd zo frequent bezocht. Deze boer had zelf ook een troep schapen.
Als de herder rustig sliep, haalde Janne zijn knecht, die mee in het complot zat, uit het bed. Ze sorteerden dan de beste schapen uit de vreemde troep, en zetten er de eigen slechte tussen.
De straf voor deze herhaalde diefstallen bleef niet uit. Zijn eigen schapen stierven onder vreemde verschijnselen bij tientallen. Op een keer lagen er ’s morgens 50 op een hoop dood in de stal. Ook zijn koeien en paarden stierven onder geheimzinnige omstandigheden. De man was bemiddeld, en kocht telkens nieuw vee, doch dat mocht niet baten. Ten einde raad werd, toen de veearts geen baat kon vinden, een geestenbezweerder om raad gevraagd. Dit was een man die uit de Kempen kwam, en “’t manke van Genk” genoemd werd. Nadat deze man een onderzoek had ingesteld in de stallen, en alles had uitgevraagd, verbleef hij 1 nacht in de gebouwen, en nam contact op met de boze geest.
’s Morgens gaf hij de boer het dringend advies, dat hij alle nieuw op het bedrijf aangevoerd vee de eerste keer “huup truuk”, dit is: achterwaarts, op stal moest plaatsen. Hij zou daardoor gevrijwaard zijn van deze rampen. Dit is sindsdien altijd gedaan, óók nog in onze tijd. De man n.l. die daar met de enige dochter introuwde, heeft het ook na de dood van Janne, tot aan zijn vertrek gedaan. Zijn vrouw stierf vrij spoedig. Omstreeks 1904 ging hij met zijn tweede vrouw in Dorp rentenieren, en kwam een broer van hem op de boerderij. Deze heeft zich niet meer met deze superstitie opgehouden. Er is nooit meer wat bijzonders gebeurd. Het is vreemd, dat die schoonzoon, die meer intelligent was, dan zijn leeftijdsgenoten, hieraan nog heeft geloofd.
Omzetting in Heldens dialect van de verhalen, ingezonden onder no. L 291-2, verteld door Johannes Engels en Maria Lemmen, Helden [Collectie Engels, verslag 44]:
Sjpoeëkhoezer:
Bei d’n “Duutsje Janne” op te Zangkberg ging op ’t inj van de veurige ieuw veul öm, oe me gèn begriep van koos kriege. Janne waas get mieër boor as zien nabberluij, en waas aug get beter van versjtangk. Hè hei ’n twieësjtokkig groeët hoes mèt lozjement en café. Doortrèkkende sjieëpers, die truup sjeup van koupluij langs te weeg nao de mèrret in Brussel dreve, borgen eur bieësten bei Janne in de sjapskuuë, en bleven dao eine naocht over.
Janne heel auch enen troep sjeup. As te sjieëper sjleep, halde Janne de beeste bieëste d’r oet, en zat ter zien sjlèèchste teusse. De sjtraof vör det rauven bleef neet oet. Zien eige sjeup ginge mèt truup kepot. Op eine merge logen d’r èns 50 op ennen houp kepot. Aug zien kuij en pèèrd gingen d’r aan. Iddere kier koocht e neije, mèr die makden ’t auch neet lang. De vieë-arts koos ter neet klook oet. Ten inje raod woord enne geistenbezweerder in d’n erm genome. Det waas ‘t “heksemenke” oet Genk, in de Belzje Kempe. Dè woord dor de knèècht met ’t rietuug gehald, en bleef eine naocht op te boorderei. Hè gaaf te raod, öm alle neij aangeveurd vieë “huup truuk” op te sjtal te zette, d’n ieërste kieër. Daodoor zo ’t vieë vör hekserei gesjpaard blieve. Sins dèèn tied ès tet heij altied gedaon, tot in oozen tied, en ’t waas gedaon mèt de sjterfte. In 1904 kwaam d’r enne neijen boor, dè ’t neet miër dieë. Hè heet d’r noeët niks miër van ongervonge.
Op de Zandberg, een Heldens gehucht, staat een boerderij van iets afwijkend type, misschien een eeuw oud. De woning is twee stok en ruim. Hier woonde in onze jeugd “Faesse Janne”, ook wel, “Duutsje Janne”. Deze laatste bijnaam kreeg hij vermoedelijk, omdat over hem het gerucht ging, dat hij lid was van de z.g. Duitse, (of Dietse) Bond. Over bestaan en doelstelling is ons niet meer bekend, als dat de bond vermoedelijk een politieke strekking had, en het gerucht ook wel eens ging dat het Vrijmetselaars waren. Deze “Duutsje Janne” was een boer, die in ontwikkeling en standing boven zijn omgeving stond. Hij schijnt geen man te zijn geweest, die zich van de samenleving veel aantrok. Hij stond bekend als weinig kerks. Ook was hij verdacht van bedriegerijen. Er was in zijn huis een logement en café.
Vroeger hadden de grotere boeren in deze zand- en veengebieden een troep schapen. Deze werden opgekocht door handelaren, die deze in grote steden, als Keulen en Brussel ter markt brachten. De schapen werden nog niet per spoor of schip vervoerd, doch door schepers langs de wegen naar hun doel gehoed! Aan het eind van iedere dag deden ze een logement aan, waar de schapen, en de herder onderdak vonden. Het logement van den Duutsje Janne werd zo frequent bezocht. Deze boer had zelf ook een troep schapen.
Als de herder rustig sliep, haalde Janne zijn knecht, die mee in het complot zat, uit het bed. Ze sorteerden dan de beste schapen uit de vreemde troep, en zetten er de eigen slechte tussen.
De straf voor deze herhaalde diefstallen bleef niet uit. Zijn eigen schapen stierven onder vreemde verschijnselen bij tientallen. Op een keer lagen er ’s morgens 50 op een hoop dood in de stal. Ook zijn koeien en paarden stierven onder geheimzinnige omstandigheden. De man was bemiddeld, en kocht telkens nieuw vee, doch dat mocht niet baten. Ten einde raad werd, toen de veearts geen baat kon vinden, een geestenbezweerder om raad gevraagd. Dit was een man die uit de Kempen kwam, en “’t manke van Genk” genoemd werd. Nadat deze man een onderzoek had ingesteld in de stallen, en alles had uitgevraagd, verbleef hij 1 nacht in de gebouwen, en nam contact op met de boze geest.
’s Morgens gaf hij de boer het dringend advies, dat hij alle nieuw op het bedrijf aangevoerd vee de eerste keer “huup truuk”, dit is: achterwaarts, op stal moest plaatsen. Hij zou daardoor gevrijwaard zijn van deze rampen. Dit is sindsdien altijd gedaan, óók nog in onze tijd. De man n.l. die daar met de enige dochter introuwde, heeft het ook na de dood van Janne, tot aan zijn vertrek gedaan. Zijn vrouw stierf vrij spoedig. Omstreeks 1904 ging hij met zijn tweede vrouw in Dorp rentenieren, en kwam een broer van hem op de boerderij. Deze heeft zich niet meer met deze superstitie opgehouden. Er is nooit meer wat bijzonders gebeurd. Het is vreemd, dat die schoonzoon, die meer intelligent was, dan zijn leeftijdsgenoten, hieraan nog heeft geloofd.
Omzetting in Heldens dialect van de verhalen, ingezonden onder no. L 291-2, verteld door Johannes Engels en Maria Lemmen, Helden [Collectie Engels, verslag 44]:
Sjpoeëkhoezer:
Bei d’n “Duutsje Janne” op te Zangkberg ging op ’t inj van de veurige ieuw veul öm, oe me gèn begriep van koos kriege. Janne waas get mieër boor as zien nabberluij, en waas aug get beter van versjtangk. Hè hei ’n twieësjtokkig groeët hoes mèt lozjement en café. Doortrèkkende sjieëpers, die truup sjeup van koupluij langs te weeg nao de mèrret in Brussel dreve, borgen eur bieësten bei Janne in de sjapskuuë, en bleven dao eine naocht over.
Janne heel auch enen troep sjeup. As te sjieëper sjleep, halde Janne de beeste bieëste d’r oet, en zat ter zien sjlèèchste teusse. De sjtraof vör det rauven bleef neet oet. Zien eige sjeup ginge mèt truup kepot. Op eine merge logen d’r èns 50 op ennen houp kepot. Aug zien kuij en pèèrd gingen d’r aan. Iddere kier koocht e neije, mèr die makden ’t auch neet lang. De vieë-arts koos ter neet klook oet. Ten inje raod woord enne geistenbezweerder in d’n erm genome. Det waas ‘t “heksemenke” oet Genk, in de Belzje Kempe. Dè woord dor de knèècht met ’t rietuug gehald, en bleef eine naocht op te boorderei. Hè gaaf te raod, öm alle neij aangeveurd vieë “huup truuk” op te sjtal te zette, d’n ieërste kieër. Daodoor zo ’t vieë vör hekserei gesjpaard blieve. Sins dèèn tied ès tet heij altied gedaon, tot in oozen tied, en ’t waas gedaon mèt de sjterfte. In 1904 kwaam d’r enne neijen boor, dè ’t neet miër dieë. Hè heet d’r noeët niks miër van ongervonge.
Onderwerp
TM 3104 - Duivelsdrek als afweer   
Beschrijving
Straf voor boer die slechte schapen ruilt voor betere, is dat al zijn vee sterft; duivelbanner raadt aan om nieuwe vee eerst achterwaarts op stal te zetten.
Bron
Collectie Engels, verslag 2, verhaal 7 (Archief Meertens Instituut)
Naam Overig in Tekst
Duutsje Janne   
Faesse Janne   
’t manke van Genk   
Naam Locatie in Tekst
Zandberg   
Genk   
Helden   
Plaats van Handelen
Zandberg   
