Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

DYKFRIES2128

Een sage (boek), 1896

Hoofdtekst

Onder landloopers en schooiers waren duivelskunstenaars en geneeskundigen van lageren rang. Algemeen hadden deze lieden den naam dat zij honden konden bespreken, d. i. bezweren. Menige boer, die van belang iets te verliezen heeft, en ook menigeen, die gaarne den schijn daarvan aanneemt, heeft op zijn erf een bulhond, die iederen onbekende op een eerbiedigen afstand houdt. Maar onder landloopers, ook onder venters met koopwaren, zijn er, die onbeschroomd op een boerenerf loopen, omdat zelfs de kwaadaardigste hond hen ongemoeid laat. Zoo iemand behoeft een hond maar goed in de oogen te zien; het prevelen van een paar onverstaanbare woorden doet daarbij ook wel dienst. Verder wil men dat sommigen dezer mannen onder in hun stok een verholen holligheid hebben, gevuld met leeuwenvet. Dit nu behoeft een hond slechts te ruiken, om met ingetrokken staart af te druipen.

Beschrijving

Van landlopers en schooiers werd vaak gezegd dat ze duivelskunstenaars waren of slechte geneeskundigen. Men zei dat ze honden konden bezweren ('bespreken'). Vaak hadden boeren een hond op het erf om vreemdelingen op afstand te houden. Toch waren er landlopers, en ook venters, die het erf konden betreden. Ze keken de hond in de ogen en prevelden enkele woorden om ongestoord langs de hond te kunnen komen. Van sommige van deze mensen werd ook gezegd dat ze leeuwenvet in hun stok verborgen hadden. Als een hond dit rook, droop hij meteen af.

Bron

Waling Dykstra: Uit Friesland's volksleven van vroeger en later: volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen. Leeuwarden [1896], deel 2, 180

Commentaar

Onderdeel van het hoofdstuk "Duivelskunstenaars".