Hoofdtekst
Een duitsch koopman of venter in nappen, houten lepels, muizenvallen, enz. vertelde mij eens, hoe hij het bij een boer had verkorven. Rookende uit een halfafgebroken goudsche pijp, waarvan de kop op dat oogenblik gloeiend heet was, stapte hij op een boerenerf. Daar kwam een groote hond op hem los; hij hield het dier den heeten pijpekop voor; de hond wilde daarop bijten, maar brandde den bek en liep jankend heen. Niemand had het gezien en 't liep dien keer zoo af. Maar de hond was natuurlijk gedurende eenige dagen niet als gewoonlijk en men begreep spoedig, dat de nappenkoopman hem iets moest hebben gedaan. Toen deze na verloop van eenige weken weer zijne waren kwam veilen, liet wel de hond hem ongemoeid, maar de boer schold hem voor toovenaar en beval hem haastig te vertrekken om nooit terug te komen.
Beschrijving
Een Duitse koopman heeft het eens goed verpest bij een boer: toen hij op het erf van de boer kwam, kwam de hond op hem af. De koopman hield de hond zijn pijp voor, die hij aan het roken was. De hond wilde erop bijten, maar brandde zijn bek. Hierdoor was het dier enkele dagen uit zijn doen en de koopman werd ervan verdacht hier iets mee te maken te hebben. De volgende keer dat de koopman bij de boer op het erf kwam, werd hij door de hond met rust gelaten, maar de boer schold hem uit voor tovenaar en zei hem voorgoed te vertrekken.
Bron
Waling Dykstra: Uit Friesland's volksleven van vroeger en later: volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen. Leeuwarden [1896], deel 2, 180
Commentaar
Onderdeel van het hoofdstuk "Duivelskunstenaars".