Onderwerp
SINSAG 0881 - Der Teufelsvertrag. Mann schliesst einen Vertrag mit dem Teufel, welcher ihm bei seiner Arbeit Hilfe leistet.   
Beschrijving
Der Teufelsvertrag
Tekst
Verhalen over mensen die hun ziel verkopen aan de duivel komen in veel varianten voor. Zowel eenvoudige lieden als geestelijken en geleerden konden ertoe overgaan hun zielenheil te verkwanselen in ruil voor aardse zaken als macht, kennis en geld. Een naam is in het bijzonder verbonden met het thema van het duivelspact, de naam van de Duitse geleerde Dr. Faust. Verhalen over deze geleerde zijn niet uitsluitend in Duitsland te vinden, maar komen ook in Nederland voor. Het volgende verhaal wordt verteld over het verblijf van Faust op het kasteel te Waardenburg in Gelderland: Op kasteel Waardenburg, gelegen aan de Waal, woonde ooit de beroemde Dr. Faust. Tijdens zijn verblijf op het slot zocht hij in boeken naar het geheim van de steen der wijzen, maar het antwoord kon hij niet vinden. Moedeloos roept hij de duivel aan, die aan hem verschijnt en aanbiedt hem zeven jaren te dienen. In die jaren zal hij alle wensen van Faust in vervulling laten gaan, daarna zal Fausts ziel voor de duivel zijn. Faust gaat akkoord en ondertekent een contract met zijn bloed. Zeven jaar lang vraagt hij van alles van de duivel: hij vraagt hem om heerlijkheden en kostbaarheden, hij vraagt om verre reizen en steeds krijgt hij wat hij wil. Vooral schept Faust plezier in het kwellen van de duivel door deze lastige opdrachten te geven: hij moet razendsnel een brug bouwen en weer afbreken of voor Fausts rijtuig uit een weg opnieuw plaveien. Als pesterijen gooit Faust graan in de haag, of meel in het water dat de duivel dan weer onbedorven terug moet brengen. Na vier jaar wil de duivel onder de afspraak uit, maar Faust staat dit niet toe. Na het zevende jaar sleept de duivel Faust naar de hel, waar hij nu de straf voor zijn wandaden ondergaat. (samengevat op basis van de vertelling van de hand van O.G. Heldring, Bredasche Courant 5 oktober 1839) Dr. Faust is tegenwoordig vooral bekend als personage in romans, films en opera’s, maar de figuur van Faust gaat terug op een historische figuur. Johannes Trithemius schreef in 1507 in een brief aan Johann Virdung over ‘Magister Georgius Sabellicus, Faust iunior’, beoefenaar van zwarte kunst, sterrenwichelaar en waarzegger. Trithemius heeft geen goed woord over voor Faust, en noemt hem een oplichter en een opschepper. In 1509 duikt de naam Johannes Faust op in Heidelberg, waar hij een graad in de Theologie ontvangt. Het naamverschil (Georgius tegenover Johannes) heeft tot speculaties geleid met betrekking tot de identiteit van Faust. Mogelijk was zijn naam Johann-Georg en worden beide namen afwisselend gebruikt. Soms wordt de mogelijkheid geopperd dat er twee gebroeders, mogelijk tweelingbroers, Faust leefden. Uit de overgeleverde bronnen ontstaat het volgende beeld van de historische Faust: rond 1480 moet hij geboren zijn in Knittlingen, een Duits stadje in de landstreek Baden Württemberg. In 1507 werd Faust aangesteld als schoolmeester in Kreuznach, een plaats die hij al gauw ontvluchtte nadat men ontdekte dat hij ontucht pleegde met zijn leerlingen. In 1509 wordt hem een graad in de theologie toegekend. In de daaropvolgende jaren duikt de naam Faust op in verschillende bronnen waarin hij afwisselend wordt neergesabeld als opschepper, leugenaar en sodomiet en geprezen als waarzegger en astroloog. Dr. Faust moet zijn diensten aan verschillende mensen aangeboden hebben en kreeg daar ook voor betaald, blijkens een betaling van tien gulden voor het trekken van een geboortehoroscoop. Hij reisde naar plaatsen als Erfurt, Ingolstadt, Münster en Nuremberg en naar verluidt ook naar Batenburg, waar hij verbleef op het kasteel gelegen aan de Maas. Van zijn verblijf alhier wordt door Johannes Wier in De Praestigiis Daemonum verteld dat Faust in 1540 door baron Herman van Bronckhorst-Batenburg op het kasteel gevangen werd gezet vanwege een begane misdaad. Kapelaan Jan van Dorsten ging tijdens deze gevangenschap vriendschappelijk met Faust om. In ruil voor wijn zou Faust deze Jan van Dorsten leren zich te scheren zonder mes. Hij zei hem zijn baard in te wrijven met arsenicum. Door de hoge dosering verloor de kapelaan niet alleen zijn baard, maar ook zijn huid. Johannes Wier vertelt verder dat Faust eens een man met een zwarte baard en een donkere huid ontmoette en hem zei dat hij dacht dat hij zijn zwager, de duivel, was. Wier gaat verder niet in op deze vermeende band met de duivel, maar deze opmerking van Faust kan wijzen op een mythologisering van zijn persoon die al tijdens zijn leven, mede door zijn eigen uitspraken, plaatsvond. De voornaamste reden voor het ontstaan van het verhaal over Fausts duivelspact is echter niet gelegen in zijn eigen woorden of handelingen, maar in zijn dood. Over Fausts dood doen verschillende verhalen de ronde en de plaats van overlijden wordt door verschillende dorpen toegeëigend. De gemene deler in al deze verhalen is het geheimzinnige en gewelddadige karakter van Fausts dood. In de sobere woorden van Wier: Ten slotte vond men hem in een dorp van het hertogdom Württemberg dood naast zijn bed liggen met omgedraaide hals; naar men vertelde, had midden in de voorafgaande nacht het huis op zijn grondvesten geschud. (Johannes Wier, De Praestigiis Daemonum, 1568, 142. Vertaald door B.H. van ’t Hooft, ‘Doctor Faust en Gelderland’, 1930, 5-6.) In de legendevorming neemt de dood van Faust steeds gruwelijker proporties aan: de duivel zou hem alle hoeken van de kamer hebben laten zien, bloed en hersenen kleven als gevolg daarvan aan wanden en meubels. Ogen en tanden worden in de kamer gevonden maar het lijk van Faust wordt buiten op een mesthoop ontdekt, vervormd en met verbrijzelde ledematen. Het is mogelijk dat deze beschrijvingen van een gewelddadige dood teruggaan op een mislukt experiment, waarbij het tot een ontploffing kwam en het lichaam van Faust verminkt raakte. In de beleving van het volk werd dit al snel verbonden aan de duivel, die zijn kompaan mishandeld, gewurgd, de nek gebroken of door het raam naar buiten getrokken zou hebben. In een tijd van heksenvervolging werd met argusogen gekeken naar beoefenaars van de toverkunst. Kennis van de zwarte kunst kon niet van God komen en moest daarom wel komen van zijn tegenstrever, de duivel. Heksen en tovenaars werden daarom niet enkel beschuldigd van misdaden als het betoveren van vee of het vervloeken van de oogst, maar ook en bovenal van omgang met de duivel. Een figuur als Faust die beweerde de wonderen van Christus te kunnen nabootsen en overtreffen, die toverkunsten liet zien aan wie ervoor wilde betalen en een kwade inborst had blijkens zijn wangedrag als schoolmeester en blijkens zijn practical joke met kapelaan Jan van Dorsten, leende zich uitstekend voor een verhaal over het duivelspact. Des te meer omdat hij zelf toespelingen maakte op omgang met de duivel en een gewelddadige, tot de verbeelding sprekende, dood stierf. Door de eeuwen heen werden mensen ervan verdacht hun ziel aan de duivel verkocht te hebben in ruil voor macht, kennis, geld, liefde of ander gewin. Deze mensen onderscheidden zich vaak van anderen in kennis, slimheid, of kracht. Van Gerbert van Aurillac, die paus Silvester II (999-1003) zou worden, wordt bijvoorbeeld verteld dat hij een pact gesloten had met de duivel in ruil voor zijn positie als paus. De duivel hielp hem maar waarschuwde hem dat zijn leven voorbij zou zijn als hij ooit in Jeruzalem de mis op zou dragen. Gerbert had geenszins de intentie naar Jeruzalem af te reizen en voelde zich veilig maar kwam bedrogen uit toen hij een mis opdroeg in een kerk te Rome die de naam ‘Het Heilig Kruis van Jeruzalem’ droeg. De reden dat Gerbert van een duivelspact beticht wordt, hangt samen met zijn kennis – hij moet een briljante wiskundige en filosoof geweest zijn – en de politieke invloed die hij uitoefende. Daarbij komt het feit dat Gerbert in Córdoba of Toledo gestudeerd had. Spanje stond in die tijd onder Moorse overheersing, waardoor het land gezien werd als bron van Oosterse kennis en magie. In Nederland zijn verhalen ontstaan over de ridder van Tuyll, die onoverwinnelijk leek (zie bijvoorbeeld item NAVORSCH2001). Deze eigenschap moest wel te maken hebben met een verbond met de duivel die hem aan deze macht hielp en hem verschillende tactieken en toverkunsten leerde om altijd de overhand te hebben in de strijd. De mogelijkheid een pact met de duivel te sluiten bestond voor iedereen. Al voor het ontstaan van het Christendom bestonden er verhalen over het sluiten van een contract met een demon of natuurgod waarin de mens een bepaalde betaling leverde in ruil voor hulp of macht. Het idee van het duivelspact is echter het sterkst verweven met het Christelijke geloof en het beeld van de Christelijke duivel. Vanaf het vroege Christendom werd gewaarschuwd voor de duivel en zijn lagen en listen. Het bederven van je ziel kon al gebeuren door het begaan van zonden, waartoe de duivel mensen steeds probeert te verleiden, maar een zekere manier om je zielenheil te verspelen was het sluiten van een verbond met de duivel. Dat dit een reële mogelijkheid was, blijkt uit het verhaal van de verzoeking van Christus in de woestijn, waarin Satan Christus aanbiedt hem alles te geven wat hij ziet, wanneer Christus ertoe overgaat Satan te aanbidden. Christus wist de verzoeking te weerstaan, maar uit verhalen uit later eeuwen blijkt dat de gewone sterveling de verleiding niet altijd kon weerstaan en zich overgaf aan de duivel om dat te bereiken wat hem zonder deze bovenaardse hulp niet lukte. Uit de vierde of vijfde eeuw is een legende overgeleverd in de levensbeschrijving van bisschop Basilius waarin verhaald wordt hoe de jonge slaaf van Proterius de hulp van de duivel inroept om de vrouw waarop hij verliefd is, de dochter van zijn heer, voor zich te winnen. De duivel maakt het meisje hartstochtelijk verliefd op de slaaf en zij weet haar vader ertoe te bewegen haar met hem te laten trouwen. In ruil daarvoor keert de jongen zich af van het Christelijke geloof. Als zijn vrouw hem aanspoort met haar te kerke te gaan, bekent hij haar hoe hij haar voor zich heeft weten te winnen. De vrouw vraagt bisschop Basilius om hulp. De bisschop dwingt de duivel het pact op te geven. De duivel is hierover zeer verontwaardigd: hij heeft de jongen niet verleid, maar is door hem aangeroepen, bovendien heeft de jongen zelf het contract ondertekend! Basilius vernietigt het contract en de jongeling keert terug naar de kerk. Bekender dan deze legende is die van Theophilus, een legende die mogelijk al in de zevende eeuw ontstond en in grote delen van Europa bekendheid kreeg via het werk van Hroswitha von Gandersheim en de dertiende-eeuwse Legenda Aurea. Het verhaal vond in verschillende volkstalen een bewerking, waaronder het Frans, Duits, Italiaans, Engels en het Nederlands. De legende vertelt hoe assistent-bisschop Theophilus zijn ziel aan de duivel verkoopt in ruil voor macht. Theophilus liet uit bescheidenheid de positie van bisschop passeren, maar als de nieuwe bisschop hem zijn positie als assistent ontneemt, besluit hij zich over te geven aan de duivel. Hij ondertekent een contract en de duivel bezorgt hem de positie van bisschop. Theophilus krijgt echter spijt van zijn beslissing en hij wendt zich tot de Moeder Gods. Hoewel zij hem eerst verwijt afvallig te zijn, is zij hem uiteindelijk toch genadig en bezorgt zij hem het contract weer terug. Theophilus biecht publiekelijk zijn wandaden op en sterft. Opvallend in beide voorgaande verhalen is het voorkomen van een contract dat ondertekend moet worden, waarbij in het tweede verhaal in sommige versies vermeld wordt dat het contract ondertekend wordt met bloed. Het ondertekenen van een contract met de duivel blijft in de hierop volgende eeuwen een terugkerend thema dat ook doorgedrongen is in de verbeelding van het sluiten van een pact met de duivel in romans, films en series. Duivelsverdragen werden echter niet alleen op papier gesloten, ook een mondelinge afspraak kon voldoende zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval in het begin zestiende-eeuwse verhaal over Mariken van Nieumegen waarin Mariken, wanneer zij zich door iedereen verlaten voelt, God of duivel aanroept tot haar bijstand. De duivel Moenen verschijnt en biedt haar aan haar te vergezellen en haar te onderwijzen in de zeven vrije kunsten. In ruil voor zijn gezelschap moet zij beloven geen kruis meer te slaan en vraagt hij haar afstand te doen van haar naam, die nauw verwant is aan die van Maria. Mariken wil dit niet, maar gaat uiteindelijk akkoord met het veranderen van haar naam in Emmeken, waarmee ze de eerste letter van haar naam in klank behoudt. Zeven jaar leeft Mariken met de duivel in ’s-Hertogenbosch en Antwerpen, samen zorgen ze voor zo veel onrust dat meerdere mensen gewond raken of de dood vinden: allemaal zielen voor Lucifers hel. De ziel van Mariken krijgt Moenen echter niet geheel in zijn macht, doordat haar oom voor haar tot Maria blijft bidden. Als Mariken vraagt haar familie te mogen bezoeken hoopt Moenen in de gelegenheid te komen haar oom te doden, zodat hij Marikens ziel eindelijk volledig in zijn bezit krijgt. Tijdens het bekijken van een wagenspel ervaart Mariken echter hevig berouw over haar tijd met de duivel, waardoor Moenen geen andere mogelijkheid ziet dan haar nu proberen te doden. Hij slaagt echter niet in zijn opzet en Mariken komt terug bij haar oom. Geen enkele geestelijke kan haar haar daden vergeven, maar uit een mirakel blijkt dat Mariken toch genade heeft gekregen voor zij sterft. Vanwege het sluiten van een contract met de duivel voor kennis, wordt het verhaal van Mariken van Nieumeghen vaak vergeleken met het eind zestiende-eeuwse Faust-verhaal. De beide verhalen tonen echter grote verschillen: Faust tekent een contract met zijn bloed, terwijl Mariken een mondelinge afspraak maakt. Voor haar bestaat nog de mogelijkheid op genade door haar oprechte berouw en het doen van boete, voor Faust staat alleen het pad naar de hel open. Waar Mariken slechts om bijstand vraagt en daarna aangetrokken wordt door het aanbod de zeven vrije kunsten, die door veel geleerden beoefend werden, te leren, roept Faust welbewust de duivel op om meer dan de gebruikelijke geleerde kennis te verkrijgen. Het verhaal van Mariken staat hiermee in een katholieke, Middeleeuwse verhaaltraditie terwijl Faust in een protestantse en humanistische traditie staat. Mariken van Nieumeghen kan gezien worden als een legende waarin de macht van de genade centraal staat, een verhaal dat vergeleken kan worden met het verhaal over Theophilus en veel andere (Maria)legenden waarin een zondaar genade vindt door oprecht berouw en het doen van boete. Het verhaal van Faust, zoals dat wordt beschreven in de volksboeken, geldt als een waarschuwing voor een ieder die ervoor kiest Gods wegen te verlaten en zich aan de duivel over te geven: voor zo’n welbewust afzien van Gods liefde en genade kan alleen de straf van de hel volgen. In 1587 verscheen bij Spies het gedrukte boekje Historia von D. Johann Fausten dem weytbeschreyten Zauberer unnd Schwarzkünstler waarin verteld wordt hoe Faust een pact sluit met de duivel Mephistopheles. Centraal in het werk staan de gesprekken die Faust met Mephistopheles voert en de wonderdaden die hij tijdens de 24 jaar dat de duivel hem dient, verricht. De vele wonderdaden en streken van Faust doen denken aan de figuur van Tijl Uilenspiegel, een trek die nog te herkennen is in de verhalen die worden verteld over het verblijf van Dr. Faust in Leeuwarden, waarin niet gerept wordt over een duivelspact, maar waarin de streken die Faust de burgers van de stad levert centraal staan (zie bijvoorbeeld item COHEN051). Het volksboek beschrijft in gruwelijke termen hoe de verdoemde Faust naar de hel afgevoerd wordt. De boodschap in het werk is helder: als Christen dien je je te hoeden voor de duivel, die op allerlei manieren probeert vat op je ziel te krijgen. De casus van Faust dient als schrikbeeld voor hen die van het rechte pad afwijken. Het volksboek had veel succes en werd regelmatig herdrukt – er was ook sprake van roofdruk – bewerkt en vertaald naar het Engels, Frans, Nederlands en Tsjechisch. Kort na de verschijning van het volksboek verscheen in Engeland een toneelbewerking van het verhaal van de hand van Christopher Marlowe (1564 –1593): The Tragicall History of Doctor Faustus (1592). Marlowes Faust is een tragische figuur die heen en weer geslingerd wordt tussen goed en kwaad; momenten van berouw worden steeds snel in de kiem gesmoord door Mephistopheles en zijn helpers. Het Engelse toneelstuk kreeg al snel navolging op het vasteland waar enerzijds het stuk van Marlowe nagevolgd werd en anderzijds stukken die meer teruggingen op het volksboek werden opgevoerd. Het verhaal van Faust was ook populair als poppenspel, waarin komische elementen sterk vertegenwoordigd waren. Het poppenspel wordt genoemd als een van de inspiratiebronnen van Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832), die zich gedurende zijn hele literaire loopbaan beziggehouden heeft met Faust. In 1790 verscheen zijn eerste Faust, in 1806 en 1831 verschenen Faust: Der Tragödie erster Teil en Faust: Der Tragödie zweiter Teil. In 1887 werd de zogenaamde Urfaust gevonden, die in 1775 was geschreven. Goethes Faust-vertelling wordt ingeleid door een tafereel dat zich afspeelt in de hemel waarin Mephistopheles met God wedt dat hij Faust van het rechte pad af kan brengen en zijn ziel kan winnen. God waarschuwt Mephistopheles dat hij de weddenschap niet zal winnen, maar laat hem verder begaan. Faust is in dit verhaal een wetenschapper die tot het besef komt dat hij door wetenschapsbeoefening niet tot ware kennis komt. Hij voelt zich verloren en gaat in op een voorstel van Mephistopheles die hem belooft al zijn wensen te vervullen zo lang hij geen voldoening kent. Echter, op het moment dat Faust de woorden ‘Verweile doch! du bist so schön!’ (Blijf even, je bent zo mooi!) uitspreekt, zal zijn ziel aan Mephistopheles behoren. De duivel laat Faust van alle aardse geneugten proeven, maar nooit kent Faust echte voldoening, niet in de liefde, niet in rijkdommen en niet in wonderen, tot hij als grijsaard bezig is met een inpolderingsproject en voor zich ziet hoe de vrije mens op die grond zal leven. Mephistopheles meent nu Fausts ziel te hebben gewonnen, maar hij vergist zich: de ziel van Faust wordt naar de hemel gevoerd. Ondanks de slachtoffers die hij tijdens zijn leven maakte, wordt de ziel die naar het hogere streefde, opgenomen in het hemelrijk. Goethes Faust heeft de populariteit van het verhaal verzekerd voor de daaropvolgende periode. Het verhaal vond uiting in romans, toneelbewerkingen, beeldende kunst, opera en op het witte doek. Veel duivelspactsagen tonen wat karakter betreft overeenkomsten met het traditionele Faust-verhaal: iemand verkoopt zijn ziel aan de duivel in ruil voor geld, macht of andere zaken en verliest daarmee zijn zielenheil. Bewijs hiervoor is de gewelddadige dood die hen treft. Vaak worden zij verdronken of met de nek omgedraaid gevonden. De verhalen van Faust te Waardenburg en de ridder van Tuyll zijn voorbeelden van zulke verhalen. Ook bestaan er verhalen over eenvoudige lieden, timmerman, schoenmaker of schipper, die hun ziel verkopen in ruil voor hulp bij hun werk: de timmerman kan in korte tijd nieuwe meubels bouwen, de schoenmaker werkt slechts een nacht in de week en de schipper maakt zijn reizen in de helft van de tijd die gebruikelijk is. Deze hulp heeft echter wel altijd een prijs. De ziel is voorgoed verloren en vaak sterft de zondaar een gruwelijke dood. Hoewel het voor iedereen mogelijk is een duivelspact af te sluiten zijn er bepaalde groepen die vaak met dit idee verbonden worden: heksen en tovenaars zouden hun kunsten leren door het sluiten van een pact met de duivel. In ruil daarvoor moesten ze zo veel mogelijk schade toebrengen aan mensen om hen heen en vaak ook eens in de zeven jaar iemand doden. Hun ziel was vanzelfsprekend na hun dood voor de duivel. Vrijmetselaars worden er vanwege hun grote rijkdom vaak van beticht in nauw contact te staan met de duivel. Ook zij moeten eens in de zeven jaar iemand doden, hiervoor bestaat een speciale loterij. In ruil voor hun diensten aan de duivel krijgen ze grote rijkdommen en macht (TM 2900: Vrijmetselaars). Ook de bezitter van een wisseldaalder moest zich aan de duivel overgegeven hebben. Door ’s nachts met een kat in een zak om een kerkhof heen te lopen of op een kruispunt te staan en een formule uit te spreken kon de duivel opgeroepen worden die de zak, waarvan gezegd moest worden dat er een haas in zat, kocht voor een daalder. Deze daalder had de bijzonder eigenschap altijd terug te keren in de beurs van de bezitter, waardoor deze nooit gebrek hoefde te lijden (SINSAG 0882: Der Wechseltaler). In het volksverhaal geldt het sluiten van een pact met de duivel vaak als beginpunt voor verdere verhalen, bijvoorbeeld over het in bezit komen van een wisseldaalder, of een verhaal over heksen of vrijmetselaars. Ook het verhaal van de Vliegende Hollander (zie het lexiconitem bij SINSAG 0471: Schiff segelt durch die Luft) begint met het sluiten van een duivelspact. Zoals gezegd kennen deze verhalen vaak een slechte afloop maar er bestaan ook verschillende verhalen waarin het sluiten van een duivelspact een andere wending neemt. In sprookjes gebeurt het soms dat iemand niet zijn ziel, maar – vaak zonder het te weten – zijn kind aan de duivel verkoopt in ruil voor rijkdommen. Het kind weet vaak aan de duivel te ontkomen maar behoort daarna ook niet meer aan de ouder wat ertoe leidt dat het kind de wereld intrekt. Het duivelspact fungeert dan als aanleiding voor de verdere verhaalontwikkelingen zoals in KHM31 (Het meisje zonder handen) en KHM92 (De koning van de gouden berg). Ook doet het geval zich voor dat de duivel niet zozeer uit is op de ziel van degene met wie hij een overeenkomst aangaat, maar op die van een ander, zoals in KHM101 (Berenpels) en KHM120 (De drie handwerksgezellen). In veel verhalen wordt de duivel gefopt en loopt hij de ziel die hij zou winnen mis door de schranderheid van eenvoudige mensen als boeren of smeden (zie het lexiconitem bij AT 1157: Vuurwapen als tabakspijp). Soms creëert de duivel zelf deze mogelijkheid door af te spreken dat hij afziet van de ziel als hem een onmogelijke opdracht gegeven wordt, maar vaak probeert de duivel zijn deel van de afspraak na te komen terwijl de mens hem genadeloos bedriegt. Dit is bijvoorbeeld het geval in verhalen van het type (SINSAG 0851: Der Stiefel ohne Boden; SINSAG 0852: Der Brückenbau; SINSAG 0853: Die unvollendete Scheune (= VDK1191A*: Voor de haan kraait boerderij bouwen); AT 1182: The Level Bushel en AT 1187*: Unfinished Work). De mogelijkheid om de duivel te foppen komt enerzijds voort uit de behoefte om de duivel minder eng te maken: om met angst om te gaan is het heilzaam het gevaar te kunnen relativeren en erom te kunnen lachen. Het idee dat de duivel, die zo sterk en kwaadaardig lijkt, gefopt kan worden door eenvoudige lieden, kanaliseert de angst voor de hellevorst. Anderzijds gaat de mogelijkheid terug op het feit dat door de dood van Christus de duivel de aanspraak op zielen van zondaars verloor: door de kruisdood konden zielen weer toegang krijgen tot de hemel. Je kan je afvragen in hoeverre het verantwoord is een verbond te sluiten met de duivel met het oogmerk contractbreuk te plegen om zo zowel de winst op te strijken als je ziel te behouden. De duivel is altijd oprecht wanneer hij zaken doet en houdt zich altijd aan zijn belofte, de mens echter doet alles om onder de consequenties van de afspraak uit te komen. Omdat de duivel de verpersoonlijking van het kwaad is, is hij niet een figuur waarmee je medelijden hoeft te hebben. Gezien de luchtige toon van verhalen waarin de duivel gefopt wordt, wordt niet gevreesd voor het zielenheil van de mens die voor korte tijd een pact met de duivel sluit. Het geloof in de duivel en in de mogelijkheid van het sluiten van een pact met de duivel is in de loop der eeuwen veranderd. In de moderne tijd is geloof in de duivel niet meer vanzelfsprekend en wordt het soms zelfs afgekeurd met het oog op waartoe het duivelsgeloof geleid heeft tijdens de heksenvervolgingen. Veel mensen verwerpen het idee van een kwade entiteit die aangeroepen kan worden en waarvan bijstand verkregen kan worden in tijden van nood. Het kwaad wordt niet langer veruiterlijkt in de figuur van een duivel of demon maar wordt verinnerlijkt en gezocht in het wezen van de mens zelf. Desondanks treedt de duivel nog vaak op in cultuuruitingen. Films, series en literatuur staan bol van de verwijzingen naar de duivel, als tegenstrever van God en verleider van de mens. Ook in alledaags taalgebruik is hij nog terug te vinden in verschillende uitdrukkingen. Hetzelfde geldt voor het thema van het duivelspact. Ook nu nog wordt in figuurlijke zin gesproken over mensen die hun ziel aan de duivel verkocht hebben wanneer we spreken over iemand die oude principes overboord zet om macht of rijkdom te vergaren of over iemand die kwade dingen bewerkstelligt voor eigen gewin. Evenals in de verhalen over paus Silvester II en de ridder van Tuyll, die beticht werden van omgang met de duivel op basis van hun uitzonderlijke prestaties, worden ook in de moderne tijd mensen met bijzondere talenten in verband gebracht met de duivel. In de negentiende eeuw werd vioolvirtuoos Paganini vaak een duivelsviolist genoemd vanwege zijn ongekende speelwijze. Zijn bijzondere uiterlijk – Paganini leed aan het Marfan-syndroom en had daardoor een langgerekt skelet – versterkte de mythologisering, evenals het spel dat Paganini met zijn publiek speelde door zich te schminken en ’s nachts op het kerkhof op te treden. In de twintigste en eenentwintigste eeuw komen rockbands en popmuzikanten vaak ik een kwade reuk te staan. Op dit moment doen op het internet verschillende verhalen de ronde over Rihanna, die in haar videoclip bij Umbrella zou uitbeelden hoe het is om bezeten te worden door de duivel en in haar teksten de duivel zou aanroepen en Beyonce, die in haar shows duivelse boodschappen zou verstoppen en tijdens haar optredens bezeten zou zijn door de duivel. Ouders worden op internet gewaarschuwd hun kinderen niet naar pop- of rockmuziek te laten luisteren om ze zo te beschermen tegen de invloeden van de duivel. Volgens een broodjeaapverhaal dat het internet rondgaat zijn ook heel kleine kinderen niet veilig: het icoon van schattigheid en zoetheid Hello Kitty zou namelijk gemaakt zijn door een echtpaar dat hun ziel aan de duivel verkocht in ruil voor de genezing van hun kind. Plotselinge rijkdom of politieke macht leiden ook nu nog vaak tot verhalen over het duivelspact. Verhalen over vrijmetselaars en de duivel worden nog veel verteld. Uit Zuid-Amerika zijn verhalen bekend over een begin twintigste-eeuwse arbeider die zich in korte tijd opwerkte tot grootgrondbezitter en daarom verdacht werd van het sluiten van een duivelsverbond. In 2010 kwam predikant Pat Robertson in opspraak nadat hij beweerde dat de aardbeving in Haïti het gevolg was van een tweehonderd jaar oud duivelspact. Het duivelspact zou in 1791 gesloten zijn door een groep voodoo-priesters (hougans). In ruil voor de overwinning op de Fransen kreeg de duivel gedurende tweehonderd jaar de macht over het land. Er wordt verteld dat president Aristide dit pact in 1991 probeerde te verlengen. In 1997 werd door Christelijke leiders een poging ondernomen het duivelspact te verbreken door de magische boom waar tweehonderd jaar eerder het pact was gesloten te omcirkelen. Hierbij kregen aanwezigen een visioen waarin zij zagen hoe de duivel het land verliet. Het zestiende-eeuwse Faustverhaal vond via volksboekjes en marionettenspelen de weg naar het drama en de literatuur. Ook bleek het verhaal een grote inspiratiebron voor opera’s en films. Het duivelspact wordt in de moderne literatuur en film niet alleen gesloten uit een hang naar kennis. Dorian Gray bijvoorbeeld sluit (impliciet) een pact met de duivel in ruil voor het behoud van zijn schoonheid. Vaak ook zijn geld, macht en liefde een reden voor het aangaan van een deal met een demon of duivel, zoals in The Devil’s Advocate (1997), The Imaginarium of Dr. Parnassus (2011) en Bedazzled (1967 & 2000). Het thema leent zich voor verschillende genres: horror, fantasy en comedy. Verhalen over duivelspacten komen ook voor in videogames, muziek en stripverhalen. In de Suske en Wiske-strip De Poenschepper sluit Lambik een contract met Mazoetan en Belzabel: in ruil voor zijn hart en zijn ziel mag hij met een machine werken die geld maakt. Slechts wanneer iemand zich voor Lambik, die zonder hart en ziel een nietsontziende kapitalist is geworden, opoffert, kan het contract ongeldig worden verklaard. De toeristische sector maakt dankbaar gebruik van het beroemde Faust-verhaal. Verschillende plaatsen in Duitsland staan aangemerkt als laatste verblijfplaats van Dr. Faust. Bij het klooster in Maulbronn is een Faust-toren te zien: bij een van de vensters zijn nog altijd bloedsporen waarneembaar die afkomstig zijn van Faust, die door dit venster door de duivel naar buiten getrokken werd. In Knittlingen, de geboortestad van de beruchte doctor, is een museum gevestigd waar documenten en kunstvoorwerpen verzameld worden die te maken hebben met de Faust-thematiek. In het kasteel in Waardenburg, waarvan verteld wordt dat Faust er zijn laatste jaren doorbracht en zijn dood vond, zijn nog altijd sporen te vinden van zijn verblijf: er is een zogenaamde Faust-kamer waar tot de jaren zestig op een van de balken bij het venster nog een ‘bloedvlek’ te zien was, gemaakt met rode menie. Toen deze balk verdween bij een renovatie dook elders een nieuwe ‘bloedvlek’ op, bij een raam in het oude studeervertrek van Faust. Volgens de eigenaar kon een echt Faust-kasteel nu eenmaal niet zonder bloedvlekken; zo blijft de sage de verbeelding prikkelen: 't Was middernacht, precies twaalf uur (…), en daar greep de duivel zijn vroegeren heer bij de haren, en sprong met hem 't hooge venster van den toren uit, vlak naar de hel, nadat hij hem fel door de tralies van 't raam had getrokken. 't Bloed spoot den verdoemde het lichaam uit en spatte tegen den muur, om 't nageslacht van de waarheid dezer vertelling te overtuigen. (Bewerking door Josef Cohen. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen: W. J. Thieme & Cie, 1918: 346-351.)
Literatuur
- ‘Beyonce admits to demon possession while embracing satanic imagery: do you allow your child to be influenced by her demonic music?’ Geraadpleegd 30 mei 2013. Beschikbaar via http://www.nowtheendbegins.com/blog/?p=13267. - ‘Occult and Prophetic Messages in Rihanna’s Umbrella’. Geraadpleegd 30 mei 2013. Beschikbaar via http://vigilantcitizen.com/musicbusiness/occult-and-prophetic-messages-in-rihannas-umbrella/. - Blécourt, W. de, R.A. Koman, J. van der Kooi en T. Meder. Verhalen van stad en streek: sagen en legenden in Nederland. Amsterdam: Bert Bakker, 2010. - Butler, E.M. The myth of the magus. 2e druk. Cambridge: Cambridge University Press, 1979. - Carus, P. The history of the devil and the idea of evil: from the earliest times to the present day. 2e druk. La Salle: Open Court Publishing Company, 1974. - Cohen, J. (Ed.) Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen: W. J. Thieme & Cie, 1918: 346-351. - Dell’Aira, R. ‘Faust in Waardenburg’. Nederlandse Historiën 30:5/6 (1996): 16-29. - Dell’Aira, R. en F. Hoekstra. Faustius: een geschiedenis van Faust in Nederland. Zaltbommel: Europese Bibliotheek, 2002. - Doering, S. Die Schwestern des Doktor Faust: eine Geschichte der weiblichen Faustgestalten. Göttingen: Walstein Verlag, 2001. - Edelman, M. ‘Landlords and the devil: class, ethnic, and gender dimensions of Central American peasant narratives’. Cultural Anthropology 9:1 (1994): 58-93. - Frenzel, E. Stoffe der Weltliteratur: ein Lexicon dichtungsgeschichtlicher Längsschnitte. Stuttgart: Alfred Kröner Verlag, 1962. Trefwoorden: Faust; Theophilus. - Frenzel, E. Motive der Weltliteratur: ein Lexicon dichtungsgeschichtlicher Längsschnitte. 3e druk. Stuttgart: Alfred Kröner Verlag, 1988. Trefwoord: Teufelsbündner. - Glagla, H., ed. Der Teufelsbündner Theophilus: ein niederdeutsches Mysterienspiel des Mittelalter. Plattdeutsche Übertragung von Helmut Glagla. Hamburg: M+K Hansa Verlag, 1981. - Habiger-Tuczay, C. ‘Der Dämonenpakt in den mittelalterlichen Quellen.’ Amsterdamer Beiträge zur älteren Germanistik: sô wold ich in Froïden singen: Festgabe für Anthonius H. Touber zum 65. Geburtstag (Band 43-44). Amsterdam/Atlanta: Rodopi, 1995: 221-240. - Haslinghuis, E.J. De duivel in het drama der Middeleeuwen. Leiden: Gebroeders van der Hoek, 1912. - Heldring, O.G. ‘Het kasteel Waardenburg, bij Bommel, of de legende van doktor Faust.’ Bredasche Courant, 5 oktober 1839. - Heldring, O.G. Geldersche Volksalmanak voor 1842. Arnhem: G. van Eldik Thieme, 1842: 164-174. - Hooft, B.H. van ‘t. ‘Doctor Faust en Gelderland’. Bijdragen en mededeelingen der vereeniging Gelre 23 (1930): 1-78. - Jacobs, J., V. Laarhoven, A. van der Logt en M. Nijhof. Faust. Amsterdam: Amsterdam University Press, 2010. - Krawczyk-Wasilewska, V. ‘The Haiti legend revisited: earthquake, devil’s pact, Polone Nwa, hoax and online comments.’ FOAFTale News 77 (2011): 3-7. - Mikkelson, B. ‘Hello Kitty, good-bye soul’. Geraadpleegd 30 mei 2013. Beschikbaar via http://www.snopes.com/business/alliance/hellokitty.asp. - Ranke, K., ed., et.al. Enzyklopädie des Märchens: Handwörterbuch zur historischen und vergleichenden Erzählforschung. Berlijn: De Gruyter Verlag, 1975 ff. Trefwoorden: Teufel; Teufelspakt; Faust. - Roemans R. en H. van Assche, eds. Theophilus Antwerpen: De Nederlandsche boekhandel, 1960. - Röhrich, L. ‘Teufelsmärchen und Teufelssagen’. Sagen und ihre Deutung. M. Lüthi, L. Röhrich, G. Fohrer en W.E. Peuckert. Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 1965. - Rudwin, M. The devil in legend and literature. 3e druk. La Salle: Open Court Publishing Company, 1989. - Seiferth, W.S. ‘The concept of the devil and the myth of the pact in literature prior to Goethe’. Monatshefte 44:6 (1952): 271-289. - Stapper, L., P. Altena en M. Uyen. Van Abélard tot Zoroaster: literaire en historische figuren vanaf de renaissance in literatuur, muziek, beeldende kunst en theater. Nijmegen: SUN, 1994. Trefwoord: Faust. - Steinz, P. De duivelskunstenaar: de reis van doctor Faust door 500 jaar cultuurgeschiedenis. Amsterdam/Rotterdam: Prometheus/NRC Boeken, 2010. - Wolthuis, G.W. ‘Faust als marionettenspel’. Levende talen 173-176 (1954): 394-403. - Wünsche, A. Der Sagenkreis vom geprellten Teufel. Leipzig/Wenen: Akademischer Verlag, 1905. - Xander. ‘Straatarm Haïti ruim 200 jaar geleden opgedragen aan Satan: zowel Christenen als Voodoo-aanhangers op hun knieën voor zwaar getroffen land’. Geraadpleegd 30 mei 2013. Beschikbaar via http://xandernieuws.punt.nl/content/2010/01/straatarm-haiti-ruim-200-jaar-geleden-opgedragen-aan-satan.
