Hoofdtekst
Lange mannen:
In vroeger tijd, toen deze streek nog behoorde tot het hertogdom Gelder, werden hier jonge mannen geronseld voor het leger. De “wervers” hadden het speciaal gemunt op lange kerels, en waren weinig scrupuleus in hun handelwijze. Zij bezochten cafés, en lieten de jonge mannen drinken. Op een zeker moment kwam er een contract voor de dag, dat men de jongens, desnoods onder dwang, liet tekenen. Langzamerhand zat er de schrik voor deze wervers zo in, dat de jongens zich bij nadering gingen versteken. De bruten deden echter huiszoeking. Het schijnt wel, dat de meegesleurde jongens weinig kans kregen, uit deze krijgsdienst te ontsnappen.
Op een zekere dag was de boer Pier Kessels (thans huis Driessen, Kessel Dorp) met zijn knechts bezig te dorsen, toen opeens het sein door kwam, dat de wervers in aantocht waren. Twee jonge knechten konden nog juist op de overdeel vluchten. De wervers kwamen op de schuur, en ondervroegen de boer. Zij hadden de vierslag gehoord, en vonden maar twee man. Zij klommen de ladder op, om op de schelf te kijken. De jongens daarboven sloegen ze met de dorsvlegel naar beneden! De wervers waren totaal onthutst, en gingen onverrichter zake weg. Ze vertelden verderop: “Holz um holz gebunden, das schlägt so hard!” Deze wervers waren Duitsers. Ze volgden een pad, dat van dorp tot dorp liep tot in België. Dit pad stond als “Werverspaad” bekend. De loop van dit pad is me nog uit overlevering bekend. Het liep van Maasbree door Soeterbeek, langs Smederij Peeten over de Rijksweg heen naar Baarlo, vandaar langs Hummeren en Stockums, achter huis Ottenheim rechtsaf naar Kwieten.
Tweehonderd meter voor Kwieten draaide het rechtsaf naar de Euland, 100M voor deze boerderij links naar Blutjes. Vandaar schuin naar de Tasbeek bij de Schijfweg; vandaar tussen de hagen boven langs Gravenveld, over de Molenstraat langs van den Boel achter Kessel om naar het kruis bij de Provinciale weg in Veers, en verder over Kessel-Eyck naar Neer. In Baarlo en Kessel zijn nog restanten van dit pad in gebruik.
Verslag 61, Vertaling in het Kessels dialect van de in het A.B. doorgegeven Volksverhalen, verteld door Peter Hubertus Bouten, Kessel, onder no. L291-5 op 23-5-62. Helden, 6-3-1970 [Collectie Engels, verslag 5]
In vreuger tieje, wie we hie nag onger Gelder en Pruusses huurde, motten hei wervers zien gekomen, die vör eur leger lang jong kèls zochte. Dao leep enne paad dor ’t veldj, dè ze “werverspaad” numpde. Dè leep hei euveral, van dörp tot dörp; kronkelend van hot nao haar, mer euveral achter de dörpen öm. De wervers beloofden de jonges ’t ein en ’t anger; aug wel geldj. Ze grepe ze aug wel mèt geweld, en nome ze op sjlaag mèt. As ze einmaol dao ware, koste ze neet mier truuk. In de boorderie in dörp, oe later Pier Kessels wondje, ware ze in de sjeur mèt veer man an ’t dorsse, wie dao wèr èns de wervers aankwaome. Wie ze det zoge, vluchden d’r zich twieë op ’t euverdèn. Ze zochte nao die twieë, ömdet ze enne veer-sjlaag haaje gehuurd. Wie ze zich op ten euverdèn waogde, krege ze ’t mèt ten dorsvlègel op eure kop. Ze maakde gauw, det ze wegkwamen, en zachte: “Holz am holz gebunden, das sjleit so hél.”
In vroeger tijd, toen deze streek nog behoorde tot het hertogdom Gelder, werden hier jonge mannen geronseld voor het leger. De “wervers” hadden het speciaal gemunt op lange kerels, en waren weinig scrupuleus in hun handelwijze. Zij bezochten cafés, en lieten de jonge mannen drinken. Op een zeker moment kwam er een contract voor de dag, dat men de jongens, desnoods onder dwang, liet tekenen. Langzamerhand zat er de schrik voor deze wervers zo in, dat de jongens zich bij nadering gingen versteken. De bruten deden echter huiszoeking. Het schijnt wel, dat de meegesleurde jongens weinig kans kregen, uit deze krijgsdienst te ontsnappen.
Op een zekere dag was de boer Pier Kessels (thans huis Driessen, Kessel Dorp) met zijn knechts bezig te dorsen, toen opeens het sein door kwam, dat de wervers in aantocht waren. Twee jonge knechten konden nog juist op de overdeel vluchten. De wervers kwamen op de schuur, en ondervroegen de boer. Zij hadden de vierslag gehoord, en vonden maar twee man. Zij klommen de ladder op, om op de schelf te kijken. De jongens daarboven sloegen ze met de dorsvlegel naar beneden! De wervers waren totaal onthutst, en gingen onverrichter zake weg. Ze vertelden verderop: “Holz um holz gebunden, das schlägt so hard!” Deze wervers waren Duitsers. Ze volgden een pad, dat van dorp tot dorp liep tot in België. Dit pad stond als “Werverspaad” bekend. De loop van dit pad is me nog uit overlevering bekend. Het liep van Maasbree door Soeterbeek, langs Smederij Peeten over de Rijksweg heen naar Baarlo, vandaar langs Hummeren en Stockums, achter huis Ottenheim rechtsaf naar Kwieten.
Tweehonderd meter voor Kwieten draaide het rechtsaf naar de Euland, 100M voor deze boerderij links naar Blutjes. Vandaar schuin naar de Tasbeek bij de Schijfweg; vandaar tussen de hagen boven langs Gravenveld, over de Molenstraat langs van den Boel achter Kessel om naar het kruis bij de Provinciale weg in Veers, en verder over Kessel-Eyck naar Neer. In Baarlo en Kessel zijn nog restanten van dit pad in gebruik.
Verslag 61, Vertaling in het Kessels dialect van de in het A.B. doorgegeven Volksverhalen, verteld door Peter Hubertus Bouten, Kessel, onder no. L291-5 op 23-5-62. Helden, 6-3-1970 [Collectie Engels, verslag 5]
In vreuger tieje, wie we hie nag onger Gelder en Pruusses huurde, motten hei wervers zien gekomen, die vör eur leger lang jong kèls zochte. Dao leep enne paad dor ’t veldj, dè ze “werverspaad” numpde. Dè leep hei euveral, van dörp tot dörp; kronkelend van hot nao haar, mer euveral achter de dörpen öm. De wervers beloofden de jonges ’t ein en ’t anger; aug wel geldj. Ze grepe ze aug wel mèt geweld, en nome ze op sjlaag mèt. As ze einmaol dao ware, koste ze neet mier truuk. In de boorderie in dörp, oe later Pier Kessels wondje, ware ze in de sjeur mèt veer man an ’t dorsse, wie dao wèr èns de wervers aankwaome. Wie ze det zoge, vluchden d’r zich twieë op ’t euverdèn. Ze zochte nao die twieë, ömdet ze enne veer-sjlaag haaje gehuurd. Wie ze zich op ten euverdèn waogde, krege ze ’t mèt ten dorsvlègel op eure kop. Ze maakde gauw, det ze wegkwamen, en zachte: “Holz am holz gebunden, das sjleit so hél.”
Beschrijving
Anecdote over ronselaars van lange mannen.
Bron
Collectie Engels, verslag 5, verhaal 4 (Archief Meertens Instituut)
Naam Overig in Tekst
Pier Kessels   
Naam Locatie in Tekst
Kessel Dorp   
Plaats van Handelen
Kessel   
