Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

VODA_003_07

Een sage (mondeling), dinsdag 26 november 1974

Hoofdtekst

Dat was een schoolvriend van mijn vader en moeder. Die was met mijn vader en moeder in dezelfde tijd school ingegaan. Martijn, in Schinnen, maar die konden ze al van school uit, he. En een ouwe zware man was het die, die werkte bij [Rood?] bij ons in de houtzagerij. En die was ook eh, houthakker, was die ook van beroep. En die had een vrouw en die heette Leenke Terheijnen n Leenke zei tegen Tijn, der woonde aan, aan, aan het eh, puthuisje in Schinnen toentertijd en dat was in, ja dat is wel in begin 1900 geweest. Toen woonde aan het puthuisje in Schinnen een vrouw en, eh, en, die had zo’n hele hoge kromme rug, eh, de, de kromme zeien ze altijd de kromme tegen, en die had een grote zwarte kat die vrouw. En toen zei Leenke altied al as ze naar het puthuisje moest om water te halen, dat was zo’n zwak vrouwtje en hij zo’n beer van een kerel, zei ze altijd: “de vrouw met de poekel wer der ook weer”, “daar hufst ze nie bang vuer te zijn” zeg Tijn, “gek meisje” zei die, he. Zo praatte die “dar hufst ze niet bang veur te zien”. Och, die man heb ik zo goed gekend. Die kwam altijd toen wij nog in Hoensbroek woonden, dat ik al getrouwd was heb ik mijn vader en moeder bij mij ingehad. Zijn allebij bij mij gestorven, alle twee wouen naar geen een van de kinderen dan bij mij, en toen kwam hij ons ook altijd als ouwe man opzoeken. Was hij ook een ouwe man, och jee, kwam die altijd nog bij ons. En toen zei die vrouw “ik wer band veur die” en toen zei die “du hufst nie bang te zinnen” en toen zei die ah, als en toen zei die vrouw “ja, Onze Lieve Heer zeg altijd wachtig veur degeen die voor God getekend zinne”. “Waarop hej dat dan tegen gezeg?” zei hij. “ja,” zei die, “die is toch ook getekend? Die heb toch een hele hoge rug?” zeg die, “en zo’n krom figuur? Ik ben bang veur die” he. “Du binst gek” zeit hij, he, die was voor niemand bang, Tijn, was een beer van een kerel.
En op een keer was die vrouw niet goed en dan zat ze daar en, en, en Tijn kwam thuis en die zeg: “wat is er Leenke?”, “ja ik ben niet goed, ik weet niet wat ik heb”, en dit en dat en, en, “ja, Tijn of we maar een boterham eten vandaag want ik heb geen eten gekookt”, “joa meidje”, zei die “wat geeft ik eet wel een boterham”, “ik ben helemaal niet in orde” zei ze. En ze zette koffie zegt hij “moet ik nog naar de put?” “Nee ik heb al water gehaald” zei ze. Zei ze: “de kromme vrouw war ook, de krom, de krom war ook weer doar”. De krom zei ze altijd tegen der “war ook weer doar”. Ze zeg: “ik ben zo ban wan ik die vrouw zie”, “waarveur dan die het ge toch niks gedaan” zeg Tijn. “Nee” zeg ze “maar ik ben altied bang wanneer ik die vrouw zie”. “Gek meidje” zei die dan altijd, he, streek die zo over de kop, was een hele goede man was da.
Maar die vrouw was bang en een paar dagen derna, die vrouw werd al zieker en zieker. En toen zegt ze “Tijn, zou ik dood gaan?”, “Gang” zei die “du gejtst niet dood en we laten de dokter komen”. Ja, de dokter zei: “Ik weet het niet, misschien kou gevat. Ik weet het niet [?] houd ze maar een paar dagen goed binnen”. Die vrouw hield zich een paar dagen goed warm. En toen het bij nacht, die vrouw werd al zieker en zieker en Tijn zat daar, die was niet naar bed gegaan. En die zeg: “als er wat is dan heb ik de kleren al aan, ken ik zo de deur uit voor de dokter te halen” he. Tijn zeg “zal ik de dokter halen?”, “Nee, wacht nog maar effen, wacht nog maar effen, Tijn. Wen ich die nach maar om heb” zei ze, he. En die wou die nacht maar om hebben en Tijn zat bij haar in bed. En in ene keer zeg Tijn: “Godverdikke, dat gekries van die katten word je ook gek op. Hoor de die katten tekeer gaan, die, die, die krolse kat” zeg die, he. En hij had al een paar keer dat venstertje open gemaakt en, en over dat plankje daar was een krom dakkie. Had die ze al een paar keer met, met, met, na gegooid, he, maar die kat die bleef der maar op staan krijsen. Hij zeg: “Dat krols kreng” zei die, he, “die moet een, die moet een kater hebben” zei die he, toen stond hij. Zei Leenke: “Tijn,” zei die, zei Leenke, “as ‘t maar, as ‘t maar niets met, m-m-met de kromme vrouw te maken het” zeg die, “ik ben zo bang”. “Gek, krank gek” zei die, “morgen bist du beter. En in ene keer wordt Tijn toch zo kwaad. Hij pakt zijn blik, wij zeggen de blik waar ze’n het drinken, dat was zo’n blikken ding waar ze het drinken altijd in meenemen, stop derop. Ken u die? Met zo’n uurken, he, oortje. Uurke [lacht], ik ken me zo slecht verplaatsen in het Nederlands als ik verhalen vertel. Zo’n oortje deraan, he. En, waar je het mee vasthield en die stond dan op tafel. En hij pakt dat blik, he. En hij maakt dat vensterdeurtje open en hij kwakt dat blik over dat keukendakkie heen, he. “Rakeling schupse” zei die tegen Leenke. Klak tegen de kop aan, he. Krak! Hij zegt: “ik hoorde gewoon de kraak” zeg die tegen Leenke. “Dat ich die niet kapot gesmeten heb weet ich niet” zeg die, “maar die komt niet meer terug, he”. En die laat een schreeuw, he. En zei Leenke: “Tijn, dat is geen kat” zei Leenke, he, “dat is. Tij, da, da, dat is geen kat, dat is een schreeuw van ienen miensj”. Zo’n schreeuw hoorden ze, he. Alle twee, zij en Leenke, hij en Le. En die kat vloog van het dak af, he. En hij, en hij kon zich dat blik ‘s morgens gaan opzoeken, he. En, en ‘s morgens toen kon Leenke niet op. Leenke was te ziek en toen moest Tijn naar het puthuiske om water te halen met een emmer en water halen. En toen zag die, die, die, die kromme zag die daar staan aan het puthuisken, he, met zo’n dikke bult aan der kop. Blauw en groen en alle kleuren van de regenboog had ze een bult aan der kop. En zo kwam ze tegen Tijn, zo kwam ze. En een paar dagen derna, Leenke had nog maar een paar dagen geleefd, was Leenke dood, en, en, en nog geen, nog geen veertien dagen derna, zei die, heb zij op een, op, op, een hondenkar, zo was ze ook gekomen in ‘t dorp, is ze vertrokken met haar hele boeltje. Met haar hele hebben en houen, op een hondenkar. En Leenke was dood. Tijn is later een tweede keer getrouwd. Leenke is gestorven.

Onderwerp

SINSAG 0640 - Hexentier verwundet: Frau zeigt am folgenden Tag Malzeichen.    SINSAG 0640 - Hexentier verwundet: Frau zeigt am folgenden Tag Malzeichen.   

Beschrijving

Een vrouw in Schinnen ging altijd water bij de put halen en bij dat puthuisje woonde er een oude vrouw met een bult op haar rug. De jonge vrouw was bang van de oude vrouw maar haar man begreep nooit waarom aangezien die oude vrouw haar nooit iets deed. "Onze Lieve Heer zei altijd dat je moet oppassen voor degene die door God getekend is en dat is zij ook met haar rug".
Op een dag werd de jonge vrouw erg ziek en moest een aantal dagen in bed blijven. Tijdens een van de nachten was er een kat zo aan het schreeuwen buiten dat de man uit pure frustratie een drinkfles naar de kat gooide. Deze kwam hard tegen de kat aan en in plaats van kattengejank hoorden ze een menselijke schreeuw.
Toen de man in de ochtend water bij het puthuisje ging halen zag hij de oude vrouw met een enorme blauwe bult op haar gezicht.
De jonge vrouw is aan haar ziekte overleden en nog geen twee weken later ging de oude vrouw van het puthuisje het dorp uit.

Bron

Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS)

Motief

A1337.0.3 - Disease caused by witchcraft.    A1337.0.3 - Disease caused by witchcraft.   

G211.1.7 - Witch in form of cat.    G211.1.7 - Witch in form of cat.   

G262.3.2 - Witch as cat causes death.    G262.3.2 - Witch as cat causes death.   

Naam Overig in Tekst

Terheijnen    Terheijnen   

Leenke    Leenke   

Martijn    Martijn   

Tijn    Tijn   

Naam Locatie in Tekst

Schinnen    Schinnen   

Hoensbroek    Hoensbroek   

Plaats van Handelen

Schinnen    Schinnen