Hoofdtekst
En op een keer was die vrouw niet goed en dan zat ze daar en, en, en Tijn kwam thuis en die zeg: “wat is er Leenke?”, “ja ik ben niet goed, ik weet niet wat ik heb”, en dit en dat en, en, “ja, Tijn of we maar een boterham eten vandaag want ik heb geen eten gekookt”, “joa meidje”, zei die “wat geeft ik eet wel een boterham”, “ik ben helemaal niet in orde” zei ze. En ze zette koffie zegt hij “moet ik nog naar de put?” “Nee ik heb al water gehaald” zei ze. Zei ze: “de kromme vrouw war ook, de krom, de krom war ook weer doar”. De krom zei ze altijd tegen der “war ook weer doar”. Ze zeg: “ik ben zo ban wan ik die vrouw zie”, “waarveur dan die het ge toch niks gedaan” zeg Tijn. “Nee” zeg ze “maar ik ben altied bang wanneer ik die vrouw zie”. “Gek meidje” zei die dan altijd, he, streek die zo over de kop, was een hele goede man was da.
Maar die vrouw was bang en een paar dagen derna, die vrouw werd al zieker en zieker. En toen zegt ze “Tijn, zou ik dood gaan?”, “Gang” zei die “du gejtst niet dood en we laten de dokter komen”. Ja, de dokter zei: “Ik weet het niet, misschien kou gevat. Ik weet het niet [?] houd ze maar een paar dagen goed binnen”. Die vrouw hield zich een paar dagen goed warm. En toen het bij nacht, die vrouw werd al zieker en zieker en Tijn zat daar, die was niet naar bed gegaan. En die zeg: “als er wat is dan heb ik de kleren al aan, ken ik zo de deur uit voor de dokter te halen” he. Tijn zeg “zal ik de dokter halen?”, “Nee, wacht nog maar effen, wacht nog maar effen, Tijn. Wen ich die nach maar om heb” zei ze, he. En die wou die nacht maar om hebben en Tijn zat bij haar in bed. En in ene keer zeg Tijn: “Godverdikke, dat gekries van die katten word je ook gek op. Hoor de die katten tekeer gaan, die, die, die krolse kat” zeg die, he. En hij had al een paar keer dat venstertje open gemaakt en, en over dat plankje daar was een krom dakkie. Had die ze al een paar keer met, met, met, na gegooid, he, maar die kat die bleef der maar op staan krijsen. Hij zeg: “Dat krols kreng” zei die, he, “die moet een, die moet een kater hebben” zei die he, toen stond hij. Zei Leenke: “Tijn,” zei die, zei Leenke, “as ‘t maar, as ‘t maar niets met, m-m-met de kromme vrouw te maken het” zeg die, “ik ben zo bang”. “Gek, krank gek” zei die, “morgen bist du beter. En in ene keer wordt Tijn toch zo kwaad. Hij pakt zijn blik, wij zeggen de blik waar ze’n het drinken, dat was zo’n blikken ding waar ze het drinken altijd in meenemen, stop derop. Ken u die? Met zo’n uurken, he, oortje. Uurke [lacht], ik ken me zo slecht verplaatsen in het Nederlands als ik verhalen vertel. Zo’n oortje deraan, he. En, waar je het mee vasthield en die stond dan op tafel. En hij pakt dat blik, he. En hij maakt dat vensterdeurtje open en hij kwakt dat blik over dat keukendakkie heen, he. “Rakeling schupse” zei die tegen Leenke. Klak tegen de kop aan, he. Krak! Hij zegt: “ik hoorde gewoon de kraak” zeg die tegen Leenke. “Dat ich die niet kapot gesmeten heb weet ich niet” zeg die, “maar die komt niet meer terug, he”. En die laat een schreeuw, he. En zei Leenke: “Tijn, dat is geen kat” zei Leenke, he, “dat is. Tij, da, da, dat is geen kat, dat is een schreeuw van ienen miensj”. Zo’n schreeuw hoorden ze, he. Alle twee, zij en Leenke, hij en Le. En die kat vloog van het dak af, he. En hij, en hij kon zich dat blik ‘s morgens gaan opzoeken, he. En, en ‘s morgens toen kon Leenke niet op. Leenke was te ziek en toen moest Tijn naar het puthuiske om water te halen met een emmer en water halen. En toen zag die, die, die, die kromme zag die daar staan aan het puthuisken, he, met zo’n dikke bult aan der kop. Blauw en groen en alle kleuren van de regenboog had ze een bult aan der kop. En zo kwam ze tegen Tijn, zo kwam ze. En een paar dagen derna, Leenke had nog maar een paar dagen geleefd, was Leenke dood, en, en, en nog geen, nog geen veertien dagen derna, zei die, heb zij op een, op, op, een hondenkar, zo was ze ook gekomen in ‘t dorp, is ze vertrokken met haar hele boeltje. Met haar hele hebben en houen, op een hondenkar. En Leenke was dood. Tijn is later een tweede keer getrouwd. Leenke is gestorven.
Onderwerp
SINSAG 0640 - Hexentier verwundet: Frau zeigt am folgenden Tag Malzeichen.
  
Beschrijving
Op een dag werd de jonge vrouw erg ziek en moest een aantal dagen in bed blijven. Tijdens een van de nachten was er een kat zo aan het schreeuwen buiten dat de man uit pure frustratie een drinkfles naar de kat gooide. Deze kwam hard tegen de kat aan en in plaats van kattengejank hoorden ze een menselijke schreeuw.
Toen de man in de ochtend water bij het puthuisje ging halen zag hij de oude vrouw met een enorme blauwe bult op haar gezicht.
De jonge vrouw is aan haar ziekte overleden en nog geen twee weken later ging de oude vrouw van het puthuisje het dorp uit.
Bron
Motief
A1337.0.3 - Disease caused by witchcraft.   
G211.1.7 - Witch in form of cat.   
G262.3.2 - Witch as cat causes death.   
Naam Overig in Tekst
Terheijnen   
Leenke   
Martijn   
Tijn   
Naam Locatie in Tekst
Schinnen   
Hoensbroek   
Plaats van Handelen
Schinnen   

