Hoofdtekst
Ja, ja ik was eh, ik ben al vrij vroeg gewend geraakt aan allerlei dingen waarvan de normale mens vaak zegt dat ze niet bestaan of dat ze ooit eens bestaan hebben. Uhm ik zag al heel vroeg kabouters. En ik heb hier drie nogal speciale ervaringen die ik wel graag vertellen wilde.
Het was uh de eerste keer dat ik zoiets sterks kreeg was op een zondag heel lang geleden, ik vermoed in negentienzesenvijftig toen ‘t eerste zondagsrijverbod was. [dat was toen met de Suezkwestie] Ja, dat was dus ja dat is die tijd geweest. En uh, ‘t afgelopen keer dat dat was, zag je nog wel eens auto, maar toen zag je helemaal geen auto, en ik woonde in Groningen, in de buurt van Groningen en ik was altijd wat laat, dus ik speelde om mijn vijftiende jaar ofzo nog driftig met karretjes op straat en ik had een karretje gemaakt waarop ik me op m’n buik voortbewoog door met m’n tenen vooruit te schuiven en dat deed ik op de rijkstraatweg die net geasfalteerd was toen. Of het kan ook zijn op het fietspad maar in elk geval het ging daar erg gemakkelijk. En dan zocht ik zo, naar mooie steentjes in het asfalt ja het was inderdaad asfalt. En op een bepaald moment het was in een zeer scherpe bocht hoorde ik eh vanachter een bomenrij die daar stond, stonden allemaal zware eiken. Hoorde ik mijn naam noemen: “Peter, Peter”, eh heel erg indringend dus ik keek zo en ik keek nog eens en ik hoorde niks en ik keek nog eens vanuit m’n karretje, liggend op m’n buik wat daar was en uhm ik stond op en ging kijken wat wat daar, wie dat riep of dat achter een muurtje van één van de tuinen kwam. Het was doodstil, er liepen geen mensen op dat moment terwijl er wel wandelaars liepen en uh ik stapte van mijn karretje af en ik loop naar het fietspad om te kijken wat er achter die die boom, of aan de hand was en wie daar riep en op dat moment kwam er vanuit de bocht een taxi, zwart met witte taxi, ik herinner het me nog goed, een buick was het, want het ik heb nog steeds ‘t ‘t merkje buick vanuit de radiator, dat bezit ik nog, ik heb eh gezocht of ik ‘t kon vinden maar ik ben net verhuisd dus ik weet niet waar het op het moment zit. En die boorde zich met een enorme klap over mijn karretje heen in die eikenboom, waar ik achter stond. Een eikenboom van denk ‘k wel honderd jaar oud. Van mijn karretje was niks meer over, ik heb eh daar geloof ik niks meer van terug gevonden. Hoewel ‘k me voorstellen kan dat ik later nog naar wielletjes enzo heb gezocht. En de eigenaar de bestuurder van die taxi had een dubbele schedelbasisfractuur en is later overleden. En ik zou absoluut volkomen d’r niet meer zijn geweest, ik was vermorzeld geweest als ik toen niet had gereageerd had op iets wat er niet was. Het was er niet, want er was niets. M’n moeder belde een uur later op ennuh zei: “d’r is iets met Peter”. En uhm m’n grootmoeder waarmee ik in huis was, zei nee dat is helemaal niet waar, die zit hier naast me. En ik zat daar ook naast me en toen hing ze ook weer op, ze wilde mij niet hebben. Typische was toen ik negentienachtenvijftig zelf een ongeluk kreeg en in het ziekenhuis lag, ik maar steeds tegen die mensen zei: pas toch op dat mijn moeder het hoort en dat ik gewoon gezond ben. Want anders schrikt ze en gaat ze misschien wel dood. Dus de mensen in het ziekenhuis hebben mijn eh oom opgebeld en die heeft heel voorzichtig m’n moeder geraa eh gebeld. Maar voor hij wilde gaan bellen, belde mijn moeder op en zei: “er is iets met Peter”. Op precies dezelfde manier als [de eerste keer gebeurde] als de eerste keer gebeurde. Dus mijn echte ongeluk gebeurde twee jaar later. Ik moet u zeggen dat ik pas die verbinding nu op dit moment eigenlijk leg.
Het was uh de eerste keer dat ik zoiets sterks kreeg was op een zondag heel lang geleden, ik vermoed in negentienzesenvijftig toen ‘t eerste zondagsrijverbod was. [dat was toen met de Suezkwestie] Ja, dat was dus ja dat is die tijd geweest. En uh, ‘t afgelopen keer dat dat was, zag je nog wel eens auto, maar toen zag je helemaal geen auto, en ik woonde in Groningen, in de buurt van Groningen en ik was altijd wat laat, dus ik speelde om mijn vijftiende jaar ofzo nog driftig met karretjes op straat en ik had een karretje gemaakt waarop ik me op m’n buik voortbewoog door met m’n tenen vooruit te schuiven en dat deed ik op de rijkstraatweg die net geasfalteerd was toen. Of het kan ook zijn op het fietspad maar in elk geval het ging daar erg gemakkelijk. En dan zocht ik zo, naar mooie steentjes in het asfalt ja het was inderdaad asfalt. En op een bepaald moment het was in een zeer scherpe bocht hoorde ik eh vanachter een bomenrij die daar stond, stonden allemaal zware eiken. Hoorde ik mijn naam noemen: “Peter, Peter”, eh heel erg indringend dus ik keek zo en ik keek nog eens en ik hoorde niks en ik keek nog eens vanuit m’n karretje, liggend op m’n buik wat daar was en uhm ik stond op en ging kijken wat wat daar, wie dat riep of dat achter een muurtje van één van de tuinen kwam. Het was doodstil, er liepen geen mensen op dat moment terwijl er wel wandelaars liepen en uh ik stapte van mijn karretje af en ik loop naar het fietspad om te kijken wat er achter die die boom, of aan de hand was en wie daar riep en op dat moment kwam er vanuit de bocht een taxi, zwart met witte taxi, ik herinner het me nog goed, een buick was het, want het ik heb nog steeds ‘t ‘t merkje buick vanuit de radiator, dat bezit ik nog, ik heb eh gezocht of ik ‘t kon vinden maar ik ben net verhuisd dus ik weet niet waar het op het moment zit. En die boorde zich met een enorme klap over mijn karretje heen in die eikenboom, waar ik achter stond. Een eikenboom van denk ‘k wel honderd jaar oud. Van mijn karretje was niks meer over, ik heb eh daar geloof ik niks meer van terug gevonden. Hoewel ‘k me voorstellen kan dat ik later nog naar wielletjes enzo heb gezocht. En de eigenaar de bestuurder van die taxi had een dubbele schedelbasisfractuur en is later overleden. En ik zou absoluut volkomen d’r niet meer zijn geweest, ik was vermorzeld geweest als ik toen niet had gereageerd had op iets wat er niet was. Het was er niet, want er was niets. M’n moeder belde een uur later op ennuh zei: “d’r is iets met Peter”. En uhm m’n grootmoeder waarmee ik in huis was, zei nee dat is helemaal niet waar, die zit hier naast me. En ik zat daar ook naast me en toen hing ze ook weer op, ze wilde mij niet hebben. Typische was toen ik negentienachtenvijftig zelf een ongeluk kreeg en in het ziekenhuis lag, ik maar steeds tegen die mensen zei: pas toch op dat mijn moeder het hoort en dat ik gewoon gezond ben. Want anders schrikt ze en gaat ze misschien wel dood. Dus de mensen in het ziekenhuis hebben mijn eh oom opgebeld en die heeft heel voorzichtig m’n moeder geraa eh gebeld. Maar voor hij wilde gaan bellen, belde mijn moeder op en zei: “er is iets met Peter”. Op precies dezelfde manier als [de eerste keer gebeurde] als de eerste keer gebeurde. Dus mijn echte ongeluk gebeurde twee jaar later. Ik moet u zeggen dat ik pas die verbinding nu op dit moment eigenlijk leg.
Beschrijving
Op een zondag speelde Peter op de weg met zijn karretje. Toen hoorde hij iemand zijn naam roepen vanachter de bomen; hij stond op en liep die kant op. Op dat moment verplettert een taxi zijn karretje. Zijn moeder had het voorgevoeld. In 1958 kwam hij na een ongeluk in het ziekenhuis terecht en weer had zijn moeder het gemerkt.
Bron
Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS)
Naam Overig in Tekst
Peter   
Naam Locatie in Tekst
Groningen   

