Hoofdtekst
Een jaar, ander half jaar geleden lag ik ‘s nachts in bed en ik las altijd heel erg lang heel erg lang en ik had ‘t licht uitgedaan en ik lag zo’n beetje te suffen over uh het in slaap vallen en m’n vrouw lag naast me in bed en sliep. Ik zag haar zo liggen en ineens liep ik naast m’n bed, het was een nauwe doorgang en dan kreeg je een groot kamerscherm en zag dat daar een meisje door uh tussen dat kamerscherm doorkwam. Een beetje bleek en een beetje blauwig en uh ja niet geheel stof en die begon zich naar dat lichaam van mij, wat daar op het bed zo lag te peinzen, ik zag mezelf met open ogen liggen en het was een hele vreemde ervaring om mezelf te zien liggen naast mijn slapende vrouw. En we hadden nooit gordijnen dicht en takken van een boom buiten enzo en dat meisje begon zich met een enorme kracht uh in mijn lichaam te te dringen en ik ik wist op dat moment dat ik een walgelijk gevecht zou moeten leveren om om daar weer in terug te komen. Ik weet ook helemaal niet waarom ik eruit ging. Maar ik heb, ik heb een enorme hoop uhm moeten doen om op een bepaald moment weer daar in m’n eigen bed in m’n eigen lichaam te liggen en uh dat meisje probeerde zich via het voeteneinde in dat lichaam te dringen en ik heb ontzettend gevochten. En ik heb ook dingen in de kamer uh daarbij uh omgegooid, bij dat gevecht. Ik heb uhm er is een stoel met kleren omgevallen en d’r is een bed stond uh de twee bedden stonden zo naast elkaar en die waren uit elkaar gegaan en uhm er was een uh glazen fles van de schoorsteenmantel gevallen en die lag midden op het voerkleed met uh een oor eraf, die was eraf gebroken, maar mijn vrouw lag naast me in bed en hoorde niets. Terwijl dat allemaal lawaai hebben moeten gemaakt. Toch, ‘t omvallen van die stoel, en ‘t vallen van die vaas [begrijp ik] het verschuiven van het bed. De dekens en de lakens was een warwinkel. Op een bepaald moment lukte het mij mezelf weer te bereiken en zij ging heel triest, ging ze die achterkant in, en dat meisje ken ik goed. Ik weet ook goed wie dat was, ‘t typische is dat zij eh dus leeft. Ja, en toch was haar gezicht zo gelijk met het meisje dat op die nacht in de kamer was dat ik dat nooit goed heb kunnen rijmen met elkaar. [En wat zegt zij?] Ik heb er nooit met haar over gesproken, nee [oh]. Ik vind het zo vreemd dat zij gewoon leeft, dat ik me niet kan uh voorstellen wat zij uh, misschien wel dood, ik weet het niet, op die nacht daar deed. Ik heb het er nooit over gehad. [Maar omdat wel eens] Ik heb haar wel eens verteld dat ik raar van haar gedroomd heb [hmhm] en toen lachte ze wat.
Beschrijving
Meneer van Felts vertelt over de keer dat hij ‘s nachts buiten zijn lichaam was getreden. Hij zag een bleek meisje die in zijn lichaam probeert te dringen. Na een lange strijd lukte het hem om zichzelf weer te bereiken. Het meisje leek sprekend op iemand die hij kende, maar hij heeft haar er nooit op een directe manier naar gevraagd.
Bron
Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS)

