Hoofdtekst
Als Guust nuchter was zout ge hem nooit een contrarie woord horen zeggen maar ene dronken mens is voor alles in staat. Toen hij die affaire met dat veulen aan de hand gehad heeft was hij in Steenhoven gaan helpen inzetten aan de kanten van Halen. Een man die hij niet kende had hem daarbij geholpen en als ze klaar waren had die vreemde man gezegd dat het toch wel honds zou zijn zo droog van elkaar te gaan weg te gaan. En dat was ook zo, en ze begonnen een borreltje te drinken.
Guust kon daar nochtans niet tegen maar och, hoe is het mansvolk. Als ze zo’n tijdje gedronken hadden wisten ze niet meer wie het eerst getrakteerd had en omdat ze alle twee de laatste druppel wilde betalen dronken ze maar altijd voort totdat hun centen op waren. Ze zaten dan al een beetje te koekeloeren en als Guust zag dat er toch niets meer kwam wilde hij vertrekken. Daarop vroeg die vreemde man aan Guust om eens om het hardst te vloeken. Denk toch es een keer aan Guust was dervan heel voor het hoofd gelopen en weigerde. Hij zegde dat zoiets gemeen was, dat ie zo niet grootgebracht was en nogal het een en het ander. Maar die vreemde liet niet af totdat Guust half gestoord op den duur toegaf. En zo begonnen beiden van katoen te geven.
Jonge jonge, daar kwam wat uit. Die het gehoord hebben zeggen dat ze hun vingers in de oren moesten steken. Het beroerde was van het spel was dat Guust won. Dat zou niemand hem nochtans nagegeven hebben maar ge moogt er zeker van zijn dat die vreemde hem expres had laten winnen. Daarop moest weer gedronken worden maar dan moest er ook geld komen. “Och, dat is niets”, zei de vreemde, “als ik buiten ga en op mijn vingers fluit heb ik gelui, heb ik geld genoeg”. Hij deed het en het was waar ook. En daaraan kon ge goed zien dat de duivel ertussen zat. En zag Guust dat niet? Nee, toen niet. Later heeft ie het geweten. Ze begonnen opnieuw te drinken tot tegen de avond. Guust had, gelukkig, nog zoveel verstand om te begrijpen dat zijn bed ver van Halen stond en dat het tijd werd om naar huis te gaan.
Ze vertrokken dan samen, de ene langs hier de ander langs daar. Toen Guust halverwege beds gekomen was zag hij daar achter een hoge struik een veulen staan met vervaarlijk vlammende ogen. Hij wilde doorschieten maar, oh hemel, daar was geen sprake van. Hij stond als vastgenageld aan de grond en kon geen voet verzetten. Dan probeerde hij opnieuw naar links, dan naar rechts maar daar was niets aan te doen. En die twee vlammende bol-ogen van dat paard priemden hem al maar door in het gezicht. Dan wilde hij het Sint Jans evangelie opzeggen dat hij goed van buiten kende maar geen middel om er een woord uit te krijgen, zo stijf stond zijn tong. Daar heeft hij zo heel de nacht gestaan, altijd met dat veulen vlak in het gezicht. Toen het dag begon te worden geraakte hij eindelijk los, maar het veulen keek hem nog een hele tijd reedadig achterna.
Guust heeft daarvan twee dagen in zijn bed gestoken, zodanig was ie onder de voet. Toen begon hij ongerust te worden over dat geweldige vloeken en hij ging te biechten bij de pastoor. Al deze hoorde, als deze hoorde hoe erg het geweest was, begon hij met zijn hoofd te schudden en met zijn arm op en af te slaan om Guust te laten verstaan dat hij daaraan niets kon doen en hij zei hem dat ie daarvoor naar de bruine paters en een deken moest gaan.
Guust zat daarmee lelijk in de moeilijkheden en hij heeft het nochtans moeten doen. En die paters hebben hem er van af geholpen. Van toen af heeft Guust nooit meer gevloekt en als ie op het werk iemand hoorde doen sprak hij seffens van hem op z’n gezicht te slaan. En zo heeft hij toch nog veel goed kunnen doen.
Guust kon daar nochtans niet tegen maar och, hoe is het mansvolk. Als ze zo’n tijdje gedronken hadden wisten ze niet meer wie het eerst getrakteerd had en omdat ze alle twee de laatste druppel wilde betalen dronken ze maar altijd voort totdat hun centen op waren. Ze zaten dan al een beetje te koekeloeren en als Guust zag dat er toch niets meer kwam wilde hij vertrekken. Daarop vroeg die vreemde man aan Guust om eens om het hardst te vloeken. Denk toch es een keer aan Guust was dervan heel voor het hoofd gelopen en weigerde. Hij zegde dat zoiets gemeen was, dat ie zo niet grootgebracht was en nogal het een en het ander. Maar die vreemde liet niet af totdat Guust half gestoord op den duur toegaf. En zo begonnen beiden van katoen te geven.
Jonge jonge, daar kwam wat uit. Die het gehoord hebben zeggen dat ze hun vingers in de oren moesten steken. Het beroerde was van het spel was dat Guust won. Dat zou niemand hem nochtans nagegeven hebben maar ge moogt er zeker van zijn dat die vreemde hem expres had laten winnen. Daarop moest weer gedronken worden maar dan moest er ook geld komen. “Och, dat is niets”, zei de vreemde, “als ik buiten ga en op mijn vingers fluit heb ik gelui, heb ik geld genoeg”. Hij deed het en het was waar ook. En daaraan kon ge goed zien dat de duivel ertussen zat. En zag Guust dat niet? Nee, toen niet. Later heeft ie het geweten. Ze begonnen opnieuw te drinken tot tegen de avond. Guust had, gelukkig, nog zoveel verstand om te begrijpen dat zijn bed ver van Halen stond en dat het tijd werd om naar huis te gaan.
Ze vertrokken dan samen, de ene langs hier de ander langs daar. Toen Guust halverwege beds gekomen was zag hij daar achter een hoge struik een veulen staan met vervaarlijk vlammende ogen. Hij wilde doorschieten maar, oh hemel, daar was geen sprake van. Hij stond als vastgenageld aan de grond en kon geen voet verzetten. Dan probeerde hij opnieuw naar links, dan naar rechts maar daar was niets aan te doen. En die twee vlammende bol-ogen van dat paard priemden hem al maar door in het gezicht. Dan wilde hij het Sint Jans evangelie opzeggen dat hij goed van buiten kende maar geen middel om er een woord uit te krijgen, zo stijf stond zijn tong. Daar heeft hij zo heel de nacht gestaan, altijd met dat veulen vlak in het gezicht. Toen het dag begon te worden geraakte hij eindelijk los, maar het veulen keek hem nog een hele tijd reedadig achterna.
Guust heeft daarvan twee dagen in zijn bed gestoken, zodanig was ie onder de voet. Toen begon hij ongerust te worden over dat geweldige vloeken en hij ging te biechten bij de pastoor. Al deze hoorde, als deze hoorde hoe erg het geweest was, begon hij met zijn hoofd te schudden en met zijn arm op en af te slaan om Guust te laten verstaan dat hij daaraan niets kon doen en hij zei hem dat ie daarvoor naar de bruine paters en een deken moest gaan.
Guust zat daarmee lelijk in de moeilijkheden en hij heeft het nochtans moeten doen. En die paters hebben hem er van af geholpen. Van toen af heeft Guust nooit meer gevloekt en als ie op het werk iemand hoorde doen sprak hij seffens van hem op z’n gezicht te slaan. En zo heeft hij toch nog veel goed kunnen doen.
Onderwerp
SINSAG 0917 - Teufel (in Tiergestalt) erschreckt Sünder (Fluchende, Holzdiebe, Sonntagsschänder oder Spötter).   
Beschrijving
Een man wordt na wat drankjes door een vreemdeling uitgedaagd tot een vloekwedstrijd. Onderweg naar huis komt hij een veulen tegen dat hem met vlammende ogen duivels aanstaart waardoor hij zich niet kan verroeren. Pas als de zon opkomt kan hij zich weer bewegen.
Uit angst en spijt van zijn deelname aan de vloekwedstrijd gaat hij naar de pastoor om te biechten. Deze kan hem echter door de ernst van het gevloek niet helpen en stuurt de man naar de bruine paters en een deken. Nadat de man bij die paters en deken is geweest heeft hij nooit meer gevloekt.
Uit angst en spijt van zijn deelname aan de vloekwedstrijd gaat hij naar de pastoor om te biechten. Deze kan hem echter door de ernst van het gevloek niet helpen en stuurt de man naar de bruine paters en een deken. Nadat de man bij die paters en deken is geweest heeft hij nooit meer gevloekt.
Bron
Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS)
Motief
G303.3.3.1.3 - Devil as horse.   
M401 - Cursing match (flyting).   
Naam Overig in Tekst
Guust   
Naam Locatie in Tekst
Steenhoven   
Halen   
Plaats van Handelen
Steenhoven   

