Hoofdtekst
Een boerenknecht, die volgens gewoonte in den koestal sliep, werd op zekeren tijd nacht op nacht in zijn bed verontrust. Omstreeks middernacht werd hij wakker en gevoelde dan een even onverklaarbaren als onweêrstaanbaren aandrang om buiten de bedstede te kijken. Hij deed dit en zag op het einde van den stal drie mannen bij het licht van een klein lampje bezig met het bekleeden van een lijk. Hij mocht zich dan weêr terugtrekken en trachten op nieuw in te slapen, dit wilde niet best gelukken. Om één uur werd alles stil en scheen het werk afgeloopen, maar de nacht van den beangsten knecht was bedorven. Ook bij dag plaagde hem de gedachte aan het nachtgezicht zoo, dat hij geen lust had in zijn werk, slechts weinig at en zichtbaar vermagerde. Maar toen het visioen nacht op nacht terugkwam, begon de jongeling te denken: <<Ik moet er meer van weten.>> Des avonds voor het naar bed gaan voorzag hij zich van eene schaar, en toen de verschijning weêr daar was, vermande hij zich, verliet het bed en ging driest op de plaats toe waar de drie mannen zwijgend met het lijk bezig waren. Hij waagde 't het lijk een lok hoofdhaar af te knippen, nam deze meê, legde ze op de beddeplank en begaf zich op nieuw ter rust. De drie mannen waren onder dit alles ongestoord voortgegaan. Des anderen morgens bij het ontbijt begon de dienstmeid den knecht uit te lachen. Zij zei: <<Wie heeft jou onder de schaar gehad en zoo vreemd in je haar gehakt? Of heb je misschien muizen in je bed?>> De knecht verbleekte, zag in den spiegel en werd angstig. Hij begreep dat hij des nachts zichzelf een haarlok had afgeknipt. Hij viel op een stoel, werd zoo bleek als kalk en kon in de eerste oogenblikken geen woord spreken. De meid riep den boer en de vrouw. Zij vreesde dat de knecht een beroerte had gekregen. Maar deze kwam spoedig tot zichzelf, en toen de boer in de keuken was gekomen, begon de knecht te vertellen. En aan het slot van zijn verhaal zeide hij: <<Nu wensch ik wel dadelijk mijn verdiende loon te ontvangen, want ik kan hier niet langer blijven.>> - De boer kon dit verzoek billijken; hij betaalde den knecht, deze vertrok en zocht een dienst op verren afstand vandaar. Jaren verliepen. De geschiedenis van het nachtgezicht geraakte zachtjes aan in vergetelheid. Maar nu gebeurde 't eens dat de boer zijn voormaligen knecht te Leeuwarden op de markt ontmoette en bij die gelegenheid hem uitnoodigde om in den volgenden winter gedurende de kerstdagen uitvanhuis te komen. De knecht nam dit eerst in ernstig beraad, maar ten slotte beloofde hij te zullen overkomen. Hij kwam ook op den bepaalden tijd en zijne vroegere slaapplaats in den koestal werd hem ook nu weêr aangewezen. Hij gevoelde zich toen reeds een weinig onwel. Hij konde niet slapen en, hoe vreemd, hij zag daar 's nachts weêr dezelfde verschijning van vroeger. En op andere plaatsen waar hij voor en na gewoond had, was hem zoo iets nooit overkomen. Geen wonder, dat hem dit schokte. Zijn plan was den tweeden kerstdag weer te vertrekken, maar dat kon niet; hij was ziek. Des namiddags was hij reeds zooveel verergerd, dat hij, volgens des dokters meening, niet naar een ander bed kon worden overgebracht, maar daar in den koestal moest blijven. Nog denzelfden avond overleed hij; de ziekte was besmettelijk, de boer kon dus het lijk niet in zijn woonhuis nemen. Er werden drie mannen gehuurd om het te bekleeden en dit geschiedde op dezelfde plaats waar de overledene bij herhaling dat werk vooruit had gezien.
Onderwerp
SINSAG 0484 - Die Haarlocke.   
Beschrijving
Een knecht kan niet slapen vanwege een voorgevoel. Elke nacht ziet hij drie mannen die een dode aankleden. Op een nacht besluit hij hier meer over te willen weten en snijdt een lok haar van de dode af, zodat hij deze kan herkennen. De volgende dag blijkt dat hij zijn eigen haarlok heeft afgesneden. De knecht verlaat de boerderij om zijn noodlot te ontkomen, maar komt jaren later weer eens op bezoek. Hij wordt ziek en sterft. Alles gebeurd precies zoals de knecht van te voren had gezien.
Bron
Waling Dykstra: Uit Friesland's volksleven van vroeger en later: volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen. Leeuwarden [1896], deel 2, p. 222-223.
Naam Locatie in Tekst
Leeuwarden   
