Hoofdtekst
Eene bejaarde weduwe woonde sedert den dood van haren man in bij haren gehuwden zoon, wiens huis ietwat eenzaam stond. De oude vrouw had haar slaapplaats op een klein bovenkamertje en daarnaast sliepen een paar groote jongens, kleinzoons van haar. Het gebeurde eens, dat zij op zekeren nacht een poosje slapeloos was en even overeind ging zitten. Nu meende zij op den trap zachte voetstappen te hooren als van iemand die op kousen liep of behoedzaam was om niet gehoord te worden. Eerst dacht zij, dat een der jongens naar beneden was geweest. Doch toen de persoon boven kwam ging hij niet naar de plaats waar zij sliepen, maar opende even de deur van haar kamertje, zuchtte zwaar en ademhaalde snel en trok zich toen weêr terug. De oude vrouw ontstelde; zij wist niet wat te moeten denken en hield zich eene poos doodstil. Bij verder nadenken meende zij te mogen gelooven dat er wel een vreemde met verkeerde bedoelingen in huis geslopen kon zijn. Zij wekte daarom de jongens en bracht het zoover, dat weldra ook haar zoon en het verdere mannelijk personeel des gezins op de been was. Men doorzocht het geheele huis, maar vond niets wat reden gaf tot ongerustheid. Men begaf zich weêr ter rust; er viel dien nacht verder niets bijzonders voor; des morgens bij daglicht zag men nog eens alles na, maar vond geenerlei grond voor het vermoeden, dat er iemand, die er niet behoorde, in huis was geweest. Maar nu werd de oude vrouw op nieuw angstig en riep uit: <<Och Heer! dan hangt er ons zeker iets boven het hoofd. Hier zal iets gewichtigs moeten gebeuren, want zoo zeker als ik leef heb ik van nacht gehoord en gezien wat ik verteld heb.>> De huisgenooten geloofden dat het inbeelding geweest zoude zijn en niets te beteekenen had. Men beleefde een zeer strengen winter en toen deze voorbij was, werd de oudste dochter des huizes, een aankomend jong meisje, zoo verkouden, dat men er bijna geen raad meê wist. Men deed wat men kon, maar om verkoudheid naar een dokter te loopen, daar dacht men vroeger niet aan. Men had er wel huismiddels voor. Men besmeerde een stuk grof papier met kaarsvet en legde dat de lijderes op de borst. Verder liet men haar spekvet met keukenstroop er doorgeroerd oplikken. Maar deze middelen hielpen thans niet. Een goede kennis vertelde, dat men een kind voor hetzelfde ongemak een zwaluwennest om de keel had gelegd; dit was ongetwijfeld een uitstekend middel, maar dat kind was gestorven, omdat men het middel te laat had toegepast. Nu, met dit jonge meisje waren ook alle middelen, die men aanwendde, vruchteloos. Op een zondagnacht tusschen elf en twaalf uren meenden de ouders te zien, dat het met hun dochtertje niet lang meer konde duren. De moeder vooral was zeer aangedaan. Zij droeg op zondag een zacht schoeisel en daarmede ging zij nu de trap op om grootmoeder te waarschuwen. Zij stak even haar hoofd binnen het slaapkamertje, maar was zoo ontsteld dat zij bijna geen woord kon spreken. De oude vrouw begreep echter wat er aan de hand was; zij kwam naar beneden. Een uur later was het kind overleden. En nu zeide grootmoeder: <<Dat komen daar straks bij de trap op, met het verdere, was geheel hetzelfde als waarom ik in het begin van den winter op zekeren nacht u allen heb gewekt en ongerust gemaakt. Ik heb het toen ook reeds gezegd, dat hier in huis iets moest gebeuren.>>
Onderwerp
SINSAG 0486 - Andere Todesvorzeichen.   
Beschrijving
Een bejaarde weduwe krijgt het gevoel dat er binnenkort iets verschrikkelijks gaat gebeuren nadat ze vreemde geluiden heeft gehoord. Niet lang daarna wordt de oudste dochter dodelijk ziek. Wanneer men denkt dat zij zal sterven, loopt de moeder de trap op om grootmoeder te waarschuwen. Vervolgens sterft de dochter. De grootmoeder verklaart dat het geluid van de moeder die de trap opkwam om haar te vertellen dat de dochter waarschijnlijk zou sterven, hetzelfde was als het geluid dat zij eerder had gehoord.
Bron
Waling Dykstra: Uit Friesland's volksleven van vroeger en later: volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen. Leeuwarden [1896], deel 2, p. 223-224.
Motief
D1825.1 - Second sight.   
