Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

FAUST52 - Hoe dat Doctor Faustus selve een gasterye hadde

Een sage (boek), 1592

Hoofdtekst

Hoe dat Doctor Faustus selve een gasterye hadde.

ALS nu Doctor Faustus van Praghe wederom tot huys ghecomen was ende uut het hof van Oostenrijck ende van veel diversche vorsten, graven ende heeren die in des keysers hof waren, veel heerlicke gheschencken met hem ghebracht hadde, soo ghedachte hy aen het goede gheselschap die hem tot Erfort, in ‘Den Ancker’, so wel ghetracteert hadden, welcken gheselschap hy wederom hoochelick begheerende was. Tot welcken eynde, opdat hy met deselve, die hem eens deels onbekent waren, breeder kennisse maken mochte ende tegens henlieden mochte dancbaer wesen, soo badt hy deselve altsamen wederom in zijn logement te gaste ghelijck hy niet verre van het groote collegium ghelogeert en was. Sy quamen altsamen seer gheerne ende dat niet alleene om eten ofte drincken, maer omdat sy hoopten wederom eenige vremde perten van hem te sien ghelijct oock geschiede. Want als sy quamen ende deen na dander inneghinck, soo en saghen sy noch vier noch roock noch eten noch drincken oft yet anders voor de hant. Maer sy en lieten haer niet mercken, waren lustich ende sy dachten dat haren weert wel wist hoe dat hy zijne gasten behoorde te tracteren. Als sy nu altsamen ghecomen waren, badt hy haerlieder dat zijt haer niet en souden laten verdrieten; sy souden stracx gaen sitten. Daerna clopte hy met een mes op de tafel ende daer quam eenen in de camer ghetreden, ghelijck oft zijnen dienaer gheweest hadde, ende seyde: ‘Wat belieft u mijn heere?’ Doctor Faustus vraechde denselven: ‘Sydy oock rasch?’ Hy antwoorde daerop: ‘Ja, so rasch als eenen pijl uut eenen boghe vlieghende.’ ‘O neen’, sprack Faustus, ‘ghy en sout my niet dienen. Gaet wederom vandaer ghy gecomen zijt.’ Daerna sloech hy noch eens op de tafel ende daer quam eenen anderen dienaer in de camer die ooc vraechde wat zijn begheeren was. Tot denwelcken Faustus seyde: ‘Segt my hoe snel dat ghy int reysen zijt.’ Hy antwoorde: ‘Gelijck den wint.’ ‘Dat is noch wat’, seyde Faustus. ‘nochtans en soudy my niet dienen. Vertreckt vandaer ghy ghecomen zijt.’ Corts daerna so clopte hy wederomme, de derde reyse, ende daer quam noch eenen ande ren inghetreden die heel suer sach ende seyde: ‘Wat wildy my?’ Faustus vraechde ende seyde: ‘Hoe rasch zijt ghy?’ Desen antwoorde: ‘Ick ben so rasch ende so snel als de gedachten des menschen.’ ‘Dit is den rechten man’, seyde Faustus ende hy stont op ende ghinc met hem buyten de camer. Hy sandt hem uut ende beval hem wat hy voor eten ende drincken halen soude ende in zijn huys bringhen soude, daermede hy zijne lieve gasten alderbest mochte tracteren. Ende als nu de tafel ghedect was, ghinc hy tot zijne gasten, vraechde oft haer beliefde te wasschen ende daerna aen tafel te sitten. Dit gheschiet wesende, soo quam stracx zijnen dienaer in de camer met twee ander gesellen ende setten neghen schotelen op tafel, deen na d’andere, ten dry reysen. Ende de schotelen waren boven toegedect, gelijck men te hove te doene pleech, in welcke schotelen dat alderley goede spijse ende venesoen was, ghelijck als alderley ghevogelte, alderley visschen, alderley ghestoofde spijse, pasteyen ende alderley ghesoden ende ghebraden gedierte die altsamen ten aldercostelicsten toegericht waren, sodatter sessendertich soorten van spijsen waren sonder de bancketterijen die men opt leste opdient. Alle schalen, bekers ende cannen wierden ledich op de tafel gheset. Ende alsser yemandt drincken wilde, soo vraechde hem Faustus wat hy voor wijn ofte bier begheerde. Ende alsulcken dranck alsser begheert was, alsulcken dranck wert er stracx in de canne, buten de venster staende, ghebracht die so versch was alsoft hy stracx in den kelder hadde ghetapt gheweest. Boven alle dese dinghen, soo wasser oock alderley snarenspel voorhanden, waerop dat eenen van zijnen dienaren so perfect was dattet niet mogelick en was dat yemant op aerden soo wel soude moghen hebben ghespeelt. Ja, hy conde oock menigerley snarenspel onder malcanderen doen gaen, soodat de luyte, den cromhoren, de dwerspijpe, de violons, de harpe etc. al onder malcanderen ghinghen, ende nochtans en sach men niemant als hem alleene. In somma: daer en was niet ghebreck dat tot de vrolickheyt dienstelick was. Aldus brochten sy den gheheelen nacht over, totdat het claer dach was ende totdat een yeghelick wederomme naer huys ghinck.

Onderwerp

SINSAG 0881 - Der Teufelsvertrag. Mann schliesst einen Vertrag mit dem Teufel, welcher ihm bei seiner Arbeit Hilfe leistet.    SINSAG 0881 - Der Teufelsvertrag. Mann schliesst einen Vertrag mit dem Teufel, welcher ihm bei seiner Arbeit Hilfe leistet.   

Beschrijving

Faustus heeft in Praag vele vorsten, graven en heren ontmoet. Als Faustus thuiskomt uit Praag geeft hij zelf een gastmaal, omdat het hem in 'Den Ancker' zo goed was bevallen. Hij nodigt dezelfde mensen uit die bij het vorige gastmaal waren. Zijn gasten hopen weer vreemde dingen te zien. Dit gebeurt ook, want als zij naar binnen komen staat er nog niks op tafel. Faustus moet alles nog regelen. Hij gebiedt zijn gasten te gaan zitten en laat een aantal dienaren verschijnen. Hij vraagt hoe snel ze zijn; de derde acht hij snel genoeg om het eten diezelfde avond nog te regelen. Dit lukt en hij trakteert zijn gasten op drie gangen, die elk uit negen schalen bestaan. Het gastmaal is net als aan het hof van Oostenrijk; heel veel verschillend eten, zoal gevogelte en hertenvlees. Faustus vraagt aan de gasten wat ze willen drinken; en wat ze ook vragen, ze krijgen. Ook is er muziek van verschillende instrumenten. Het feest duurt tot de dageraad.

Bron

Carel Baten, Warachtighe historie van doctor Johannes Faustus. (ed. René Blankers) Jasper Troyen (?), Dordrecht 1592, 45v-46r
http://www.dbnl.org/tekst/bate002wara02_01/bate002wara02_01_0054.php

Naam Overig in Tekst

Faustus    Faustus   

Naam Locatie in Tekst

Praag    Praag   

Plaats van Handelen

Erfurt    Erfurt