Beschrijving
(a) (Sint) Bonifatius, (a1) een engel als bedelaar gekleed [K1811.1], (a1) marskramer, (a2) (arme) vrouw, (a3) weduwe, vraagt (b) onderweg in Friesland, (b1) in (bij) Dokkum, (b2) een dorp bij Dokkum, (b3) Murmerwoude, (b4) Leiden, (c) een bakker, (c1) boer, (c2) boerin, (c3) vrouw, (c4) haar (rijke) zuster, (c4) 2 zusters [P252.2], (d) om (een) brood, (d1) eten. (e) Deze (de laatste) zegt dat hij (zij) geen brood (niets) heeft, (e1) weigert (ze weigeren) iets te geven, (e2) geeft een steen. (f) "Wat zit er (dan) in de oven?" "Steen". (g) "Laat het dan steen blijven, (g1) laat God ze dan in stenen veranderen, (g2) moge (dan zal) uw brood (eten) (dan) steen worden"; (g3) "als ik brood heb laat het dan, (g4) laat God het dan, in stenen veranderen." (h) "En uw boter zal bloed worden"; (h1) "eerder worde mijn brood steen, mijn mes als een vlijm en mijn boter rood als bloed". (i) God, (i1) Bonifatius, verandert zijn (haar) brood in steen, (i2) het brood (eten) blijkt steen geworden [M411.2, D471.1, Q272], (j) en de boter bloed [D474.5] (en het mes vlijmscherp). (k) Een (of meer) van deze broden (het brood) wordt nog bewaard in een kerk te Dokkum, (k1) Leiden, (k2) ergens, (k3) zit ingemetseld in de kerkmuur te Murmerwoude.
Subgenre
sprookje
Literatuur
Bolte & Polívka 1913-32 III 461-462
B. Deneke, H. Schade, R. Schenda, in: Brückner 1974 141, 251-252, 677, 685
V. Duyse 1903-1907 2618-2619
T.W.R. de Haan, Balladen van het versteende brood. In: Volkskunde LII (1951) 68-74
V.d. KOOI 1979a, 78-80
S.J. v.d. Molen, Bonifatius in de Dokkumer legende. In: IB XVI (1954) 137-140, S.J. v.d. Molen, in: LC 5-6-1954 (met foto van de steen)
D.-R. Moser, in: EM II 808-812
Müllenhoff 1921 151-152
Rehermann 1977 151-52, 558
Sinninghe 1943 140 nr. 454
Tubach 1969 nr. 174, 3085
Wesselski 1931 162-163. IB 41 (1979) 78-80.

