Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

CBAK0216

Een sprookje (mondeling), woensdag 02 oktober 1901

Hoofdtekst

Nou, den zel ik nag er es een roovergeschiedenis vertellen.
Je weet wel dat ze vroeger geen muntjes en bankjes hadde; dan droege ze het geld met een leere riem om het lijf. Nou was er es - we zelle maar zegge - een notaris, die most geld versture. Maar dat ging niet gemakkelijk, want het was een heele sjouw en dan was het nag gevaarlijk ook, want het was door een dicht bosch waarin ze zeie dat roovers wasse.
Maar zijn zoon, een groote sterke kerel, zei: "Geef het mijn maar. Ik ben niet bang."
Hij ging dus op reis en kwam 's avonds laat bij de kastelein aan, die vlak bij het bosch woonde. Nu was het winter en er lag een lillijke sneeuwbult, en het zou dadelijk wel dondere ook. De kastelein raadt het hem dus sterk af, temeer omdat het zoo onveilig was. Maar omdat het geld er op tijd most weze, gaat hij toch op weg.
Hij laat zijn paard zadele en hij er vandeur. Dat ging een eindje goed, maar toen begon het te weerlichten van heb ik jou deer, en een sneeuwjacht dat hie uit zijn ooge niet kon zien. Om kort te gaan: hij verdwaalde. Wat most hie nou doen? Nou had ie wel ers ehoord dat het instinct van een paard je wel weer bij een bewoond huis brengt; dus liet ie zijn paard de vrije teugel maar, dan zou die hem wel weer thuis brengen. Maar telkens verbeelde ie zijn eigen, dat er iemand achter hem was. Ging hij harder, dan ging die ook harder, en zoo telkes, maar hij kon niks zien.
Op 't laatst begon de lucht toch op te klaren, en bij het licht van de maan ziet ie een muur, waarop wat zit: hij docht van menschen. Hij rijdt zaggies verder, en toen ie vlakbij was, gaf ie het peerd een klap op zijn bil dat ie er met een paar sprongen voorbij was. Dat was maar goed ook, want hij hoorde duidelijk twee schote vallen, maar die miste zeker, omdat ie iniens zoo hard was gaan rije. Hij hoorde de kerels nog van de muur springe, maar die konne hem natuurlijk niet krijgen.
Ten lange leste komt hij dan bij een boereplaats: daar rijdt hij de werf op. Om de voorzichtigheid klopt ie niet an, maar kijkt ers na binne. Dat ging niet, want de ruite wasse bevrore. Met zen nagel krabt ie er wat af. Toen hoorde nie al een hond blaffe, maar toen ie het nog er es deed, kwam er heel voorzichtig een oude meid voor, die vroeg wat ie wou.
"Ja," zeit ie, "ik ben vreemd volk. Dat en dat heb ik ondervonden en nou wou ik hier lozeeren."
"Dat zou ik niet doen," zei de meid, die zeker medelijje met hem had, omdat ie zoo op her broer leek: "Gaan liever maar deur, want hier wone roovers."
Dat was ie ook netjes van plan, toen er een rukvlaag kwam en de deur open waaide. Deer zatte zeve roovers bij het vuur.
"Kom maar binnen, want," zegge ze, "we zelle wel voor je zorge."
Nou, ze namme zijn paard, maar zijn geld - pistolen - en een paar kaarse hield ie. Hij docht: nou zel ik me maar houwe of ik van niks weet; dat toe ze hem op wijn tracteerde, proefde die goed mee, maar paste toch op dat ie niet te veel kreeg. Om een uur of elf hield ie hem dan of hij slaperig was en ging te bed.
Nou heb ik nog vergete te zegge, dat de roovers tege hem ezeid hadde dat ze herders ware, en dat ze met boerebedrijf en zuk de kost verdiende. Ze zoue hem tracteere omdat ze zoo met hem te doen hadde. Pas zatte ze, of er kwamme er nog twee; die hadde er hande bezeerd. Dat ware die kerels die van de hooge muur of espronge ware, en zoo in de dorens teregt kwamme, maar ze zeie natuurlijk, dat het van wat anders kwam. Nou, hij ging dan te bed.
Op het bed vond ie een grauw papiertje dat de meid eschreve had en deer stong op: "Red je, dat je weg komme. Denk om de bulhond. Spring door het raampie."
Hij was nog niet uit e kleeie, toe kwamme er al twee kerels kijke om zen licht weg te hale.
Hij deed net of ie van geen kwaad docht en zei: "Gaan jelui maar weg; ik zel me wel redde."
Toen ze weg ware, deed hij de deur op de grendel, stak een keers op, en keek ers door het raampie. Dat viel hem niks mee. Het was hoog van de grond en een groote bulhond lag er onder. Hij neemt een piek die ie zag staan, steekt de hond dood, knoopt zijn hemd an mekaar en liet hem vallen. Zoo kwam ie beneden. Hij loopt natuurlijk wat ie loope kon. Maar de roovers hadde al een en ander gemerkt, dus die histe de tweede bulhond op hem af die bij de poort lag. Gelukkig had ie zijn jas niet vergete, en die gooide ie na de bulhond, die er in beet en er mee naar de roovers gong. Maar daar histe ze hem al weer op. Ja, docht ie: ik heb het end in de bek, dat moet ik verlieze.
Deer zag ie een brug. Hij der onder. De hond rook hem natuurlijk en kwam bij hem. Nou had hij allemaal leere rieme met geld om zijn arm ook. Hij stak zijn arm toe, de hond beet toe, maar bezeerde hem niet. Zoo trok ie de hond naar hem toe en verzoop hem. Een poos later hoorde nie de rovers over de brug komme.
Ze zeiden: "Heb ie hem nou nog niet? We begrijpe er niks van."
Na een half uur kwamme ze weer terug: pruttele geen gebrek en vloeke van je leve zoo niet.
Toe het dag wier, kwam ie natuurlijk onder de brug vandaan en liep na de stad. Daar gaf ie het natuurlijk an en een massa politie ging op de boereplaats af. Toe ze der an kwamme, ware de roovers evloge. Alleen één was er: die lag vermoord op de grond, en de meid hing boven op zolder te bungele.
Nou zel je wel denke: hoe kwam dat? Dat zal ik je vertelle. Een jaar of vier, vijf later kwam de zoon van de notaris er weer in de buurt, en toe hoorde nie dat ze roovers epakt hadde, en dat de hoofdman die persoon was, die op de boereplaats gewoond had. Hij zei niks, maar ging na de gevangenis of ie die en die persoon mocht spreken.
"Heb je daar kennis an?" vroeg de portier.
"Dat gaat jou niet an," zei die, "maar ik wou hem erg graag ers spreken."
Nou, hij mocht dan.
Toe hij bij de roover kwam, maakte hij zijn eigen bekend en zei: "Ik ben de persoon die jelui toe en toe vergeefs ezocht hebben. Vertel jij me nou ers, waarom het met die meid en die ander zoo slecht af eloopen is."
"Nou, dat is gauw ezeid," zei de hoofdman: "Mijn maat verkeerde met de meid, en nou verweet ie er, dat ze jou had laten ontvluchten. Toe wier zij kwaad en heb hem dood estoken, en deerop heb ze der eigen op ehonge."
Nou is het uit.
O ja, toe vroeg ie nag of ie geen berouw had over wat ie gedaan had.
"Wel neen ik," zeidie: "Iedereen zijn vak. Hoe meer we stelen en moorde, hoe pleizieriger: deer geef ik niks om."

Onderwerp

SINAT 0999 - Andere Räubergeschichten    SINAT 0999 - Andere Räubergeschichten   

Beschrijving

Man gaat op reis met riemen gevuld met geld die over zijn hele lichaam zijn aangebracht. Hij verdwaalt door onweer en sneeuw, en komt terecht bij een boerderij waar rovers wonen, die hem binnenhalen en alles afnemen. Op raad van de meid en met listige oplossingen vlucht hij en weet uit handen van de achtervolgende rovers te blijven. Hij kan de politie waarschuwen, maar de rovers zijn gevlucht. In de boerderij ligt een vermoorde rover en de meid hangt aan de zolder. Jaren later bezoekt hij de roverhoofdman in de gevangenis die hem de toedracht vertelt en stelt dat hij plezier heeft in moorden en stelen.

Bron

Collectie Bakker (Archief Meertens Instituut)

Commentaar

2 oktober 1901
Andere Räubergeschichten

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:21