Hoofdtekst
Zoo was er ook ers een arme kleeremaker. Op een goeie dag verdwaalt ie in een bosch. Deer ziet ie kerels ankomme. Die kruipe allemaal in een groote holle boom. Na een poosie kwame ze der weer vandaan. Der ware dertien man. Nou moet ik toch ers kijke wat ze deer doen moste, docht ie, en gong ook in de boom.
En wat vond ie daar? Allemaal goud en edelgesteente. Hij raapt dat natuurlijk op en hij er mee vort. Nou, hij paste natuurlijk wel op dat ie het an niemand vertelde, maar zette een herreberg op. Nou, daar was het fesoendelijk en netjes, zoodat er veel mensche kwame. Maar niemand begreep hoe die kleeremaker hem dat zoo opiens elappe had.
Toe de roovers weer bij de boom kwame, ware ze natuurlijk razend, maar dat gaf erlui niks. Ze zochte overal, maar konde maar niet an de weet komme, wie erlui dat eflikt had.
Zoo verliep er een poosie.
Toe kwam de broer van de kleeremaker, die schoenmaker was, bij hem en zei: "Je most mijn toch dat kunsie ook ers vertelle, waardoor je zoo rijk eworre bent."
"Nou, affijn dan," zeid ie, "maar je belooft me, dat je het an niemand vertelle."
Dat beloofde nie, en zoo wist die dan alles. Maar toe wou ie het zelf ook wel ers probeere en hij het bosch in. En ja, daar zag ie ook weer kerels an komme, in de boom gaan en op lest er weer uitkomme, en hij docht: ziezoo, nou is het mijn tijd, en ik aanstonds met het zoodje op moeder de vrouw af. Maar dat was mis. Want deuze keer wasse er geen dertien, maar twaalf eweest. Na dat eerste gevalletje hadde de roovers besloten, dat er altijd ien in de boom zou blijve om op de boel te passen. Die kwam dus tevoorschijn en de schoenmaker wier gevange genome.
's Avonds most ie voor de hoofdman komme. Weet je wat, docht ie, ik zel alles maar zegge, dan zel dat me straf wel verlichte.
Maar mis hoor. Hij werd evengoed opgehange, maar de roovers beslote toch om het de kleeremaker betaald te zette.
Op een goeje avond gonge ze met er zesse, ieder met een groote mand bij der, na de herreberg. Ze vroege of ze der vernachte konne.
Jawel, den moste ze de mande maar zoolang in schuur zette. De roovers atte en dronke goed, en maakte goeie sier.
Onderwijl most de meid ers een turfie hale, en toe verbeelde ze der eigen al, dat ze iemand hoorde zuchte, maar een poos later, toe ze weer in schuur most weze, riep een stem uit de mand: "Ben jelui al klaar?"
"Nee," zei ze, maar zij na de baas en alles verteld.
Natuurlijk stuurde ze gauw om de politie, en zoo wierre ze allemaal esnapt. En nou is et uit.
En wat vond ie daar? Allemaal goud en edelgesteente. Hij raapt dat natuurlijk op en hij er mee vort. Nou, hij paste natuurlijk wel op dat ie het an niemand vertelde, maar zette een herreberg op. Nou, daar was het fesoendelijk en netjes, zoodat er veel mensche kwame. Maar niemand begreep hoe die kleeremaker hem dat zoo opiens elappe had.
Toe de roovers weer bij de boom kwame, ware ze natuurlijk razend, maar dat gaf erlui niks. Ze zochte overal, maar konde maar niet an de weet komme, wie erlui dat eflikt had.
Zoo verliep er een poosie.
Toe kwam de broer van de kleeremaker, die schoenmaker was, bij hem en zei: "Je most mijn toch dat kunsie ook ers vertelle, waardoor je zoo rijk eworre bent."
"Nou, affijn dan," zeid ie, "maar je belooft me, dat je het an niemand vertelle."
Dat beloofde nie, en zoo wist die dan alles. Maar toe wou ie het zelf ook wel ers probeere en hij het bosch in. En ja, daar zag ie ook weer kerels an komme, in de boom gaan en op lest er weer uitkomme, en hij docht: ziezoo, nou is het mijn tijd, en ik aanstonds met het zoodje op moeder de vrouw af. Maar dat was mis. Want deuze keer wasse er geen dertien, maar twaalf eweest. Na dat eerste gevalletje hadde de roovers besloten, dat er altijd ien in de boom zou blijve om op de boel te passen. Die kwam dus tevoorschijn en de schoenmaker wier gevange genome.
's Avonds most ie voor de hoofdman komme. Weet je wat, docht ie, ik zel alles maar zegge, dan zel dat me straf wel verlichte.
Maar mis hoor. Hij werd evengoed opgehange, maar de roovers beslote toch om het de kleeremaker betaald te zette.
Op een goeje avond gonge ze met er zesse, ieder met een groote mand bij der, na de herreberg. Ze vroege of ze der vernachte konne.
Jawel, den moste ze de mande maar zoolang in schuur zette. De roovers atte en dronke goed, en maakte goeie sier.
Onderwijl most de meid ers een turfie hale, en toe verbeelde ze der eigen al, dat ze iemand hoorde zuchte, maar een poos later, toe ze weer in schuur most weze, riep een stem uit de mand: "Ben jelui al klaar?"
"Nee," zei ze, maar zij na de baas en alles verteld.
Natuurlijk stuurde ze gauw om de politie, en zoo wierre ze allemaal esnapt. En nou is et uit.
Onderwerp
AT 0676 - Open Sesame   
AT 0954 - The Forty Thieves   
ATU 0954 - The Forty Thieves.   
Beschrijving
Arme kleermaker die dertien rovers een holle boom ziet ingaan en weer uitkomen, gaat ook naar binnen en neemt goud en edelstenen mee. Hij houdt het stil en begint een herberg. In vertrouwen vertelt hij zijn broer hoe hij rijk is geworden. Die gaat ook de holle boom in, maar wordt gevangen genomen omdat één van de rovers in de boom blijft. Hij vertelt alles, waarop de rovers met zes man met ieder een mand naar de herberg gaan, waar ze willen overnachten. De manden staan in de schuur, bij de vraag uit een mand of ze al klaar zijn roept de meid dat dat niet zo is. De gewaarschuwde politie neemt de rovers gevangen.
Bron
Collectie Bakker (Archief Meertens Instituut)
Motief
F721.4 - Underground treasure chambers.   
N512 - Treasure in underground chamber (cavern).   
N471 - Foolish attempt of second man to overhear secrets (from animals, demons etc.).   
K312 - Thieves hidden in oil casks.   
Commentaar
De naam Ali Baba ontbreekt in deze versie en de toverformule Sesam open u ontbreekt eveneens.
Bewerkte publicatie: G.J. Boekenoogen: `Nederlandsche sprookjes en vertelsels', in: Volkskunde 19 (1905), p.100-101.
Even verder in de brief onthult Bakker aan Boekenoogen de naam van zijn zegsman als hij het heeft over "mijn sproken- en roovergeschiedenis verhaler den Heer D. Schuurman alhier". Zie voor bovenstaand verhaal ook nog CBAK0390 en CBAK0477.
Bewerkte publicatie: G.J. Boekenoogen: `Nederlandsche sprookjes en vertelsels', in: Volkskunde 19 (1905), p.100-101.
Even verder in de brief onthult Bakker aan Boekenoogen de naam van zijn zegsman als hij het heeft over "mijn sproken- en roovergeschiedenis verhaler den Heer D. Schuurman alhier". Zie voor bovenstaand verhaal ook nog CBAK0390 en CBAK0477.
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:21
