Hoofdtekst
Een vrouw was met haar kind op reis. Vermoeid ging ze aan de weg zitten. Daar kwam een boer aanrijden.
"Mag ik mee?" zei ze.
"Jawel," zei de boer, "as je onderweg maar niet mal worre."
"Dat heb geen nood," zei ze, dus ze stapte op.
Toen ze een poos gereden hadden, begon zij met het kind te praten: "Waar ben je nou? Waar ben je nou?"
"Er of," zeit de boer, "want nou wor je mal."
"Hoe dat zoo?"
"Nou, je vrage waar ze is en je hebt ze zelf op je schoot."
(Broek).
"Mag ik mee?" zei ze.
"Jawel," zei de boer, "as je onderweg maar niet mal worre."
"Dat heb geen nood," zei ze, dus ze stapte op.
Toen ze een poos gereden hadden, begon zij met het kind te praten: "Waar ben je nou? Waar ben je nou?"
"Er of," zeit de boer, "want nou wor je mal."
"Hoe dat zoo?"
"Nou, je vrage waar ze is en je hebt ze zelf op je schoot."
(Broek).
Beschrijving
Boer neemt vrouw mee op zijn wagen op voorwaarde dat ze niet gek wordt. Als ze aan haar kind vraagt waar die is moet ze van de boer afstappen, want ze is mal omdat ze dat vraagt terwijl ze het kind op schoot heeft.
Bron
Collectie Bakker (Archief Meertens Instituut)
Commentaar
2 november 1901, in brief november 1901
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:21