Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

CBAK0380

Een sage (mondeling), donderdag 02 april 1903

Hoofdtekst

Der was ers een molenaar en die had een molen en die wou maar niet draaien. Wat ze er aan danen of niet, er was niks mee te beginnen. Geen knecht kon ie houden, want òf ze kwamen verschrikt 's avonds uit den molen vliegen, òf ze bestierven het as ze er een poossie geweest waren. Op een goeden dag kwam er een bedelaar an de deur.
"Wil jij me helpen malen?" zei de molenaar, "dan ken je veel geld verdienen."
Natuurlijk wou die bedelaar dat wel.
"Nou, dan moet je weten dat er iederen avond een verschrikkelijk leven in den molen is en dat we hem maar niet op gang kunnen krijgen."
"O, daar ben ik niet bang voor; laat mijn maar waken," zeit den knecht, "maar tot aan de bovenste sport toe moet je op iederen tree van den trap een kaars te branden zetten."
Dat gebeurde. Eerst zat ie met den knecht stil bij 't vuur maar toen het 's avonds laat wier, hoorden ze opiens een gestommel en een leven, alle kaarsen werden achter mekaar uitgeblazen en er kwam een troep zwarte katten binnen.
Toen ze bij de tafel kwamen en daar ook de kaars wilden uitblazen, zei de bedelaar: "Ho ho, poesjes, dat most jelui nou niet doen, want dan kunnen we niks zien, en ik zal ders een lekker kop koffie zetten, dan kenne we gezelliger zitten praten."
Dat zei die der maar om, want hij had het kokende water voor wat aars noodig. De katte gonge dus bij het vuur zitten en ze begonnen waarachtig te praten.
"Ik gaan der tusschen uit," zei de knecht.
"Nee, nee," zei de bedelaar, "je moet blijven."
Toen ze een poossie gezeten hadden, zei de eene kat al ers tegen de aar: "We mosten hem er even uitwippen."
Een poos later alweer.
"Pas op," zei de knecht, "want ze hebben al menigeen gemold en ik gaan vort."
Alweer zeiden ze: "We moste hem er uitwippen."
Maar toe zei er één: "Léte we wachte tot roodbontje komt."
Een tijdje later kwam een roodbonte kat binnenstuiven.
Nou wordt het mijn tijd, docht de bedelaar, dat hij neemt een pollepel en begint de katten met het kokende water te gooien.
Jankend en schreewend lopen de katten vort en van dat oogenblik af begon de molen te malen. Toen de molenaar 's morgens opstond, hadden de bedelaar en de knecht al een paar zak gemalen. Maar het ergste kwam achteran, want de juffrouw van den molenaar zat vol brandblaren, dat die had er een handje in gehad, want dat was een kol moet je weten.
(Uitdam)

Onderwerp

SINSAG 0622 - Die verzauberte Mühle (Brauerei)    SINSAG 0622 - Die verzauberte Mühle (Brauerei)   

Beschrijving

Een molen wil niet draaien en knechten vertrekken na korte tijd. De molenaar roept de hulp in van een bedelaar, die met een knecht 's avonds gaat waken. Na enige tijd horen ze gestommel, worden alle kaarsen die op de trap staan, uitgeblazen en komen zwarte katten binnen. Ze willen ook de kaars op tafel uitblazen, maar de bedelaar weet dat te voorkomen. Hij doet voor koffie te willen zetten, maar gebruikt het kokende water om over de katten te gieten. Daarna kan de molen weer malen. De volgende ochtend blijkt de vrouw van de molenaar vol brandblaren te zitten.

Bron

Collectie Bakker (Archief Meertens Instituut)

Commentaar

2 april 1903
Informant uit Uitdam (90 jaar oud)
Die verzauberte Mühle. Neuer Knecht verwundet Hexe in Tiergestalt. Die Müllerin ist verwundet.

Naam Locatie in Tekst

Uitdam    Uitdam   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:21