Hoofdtekst
Er was eens een schipper, die een schuit had, maar er zelf nooit in sliep. Hij, noch zijn knecht. Eens kreeg hij een nieuwen knecht en toen die 's morgens opstond, zag hij dat de schuit precies anders om lag, als hij hem den vorigen avond gelegd had. Hij vertelde dat aan zijn baas, maar die zei:
"O, dat is niks, dat gebeurt alle nachten en daarom willen wij er ook niet in slapen."
"Nou, ik dan wel," zei de knecht, en ging 's avonds in het vooronder wakker liggen.
's Nachts hoorde hij opeens een groot geraas. Er werd door verscheiden personen over het dek geloopen, gerend zelfs, en hij hoorde schreeuwen: "Maak los de touwen, haal op de zeilen, gooi om dat roer!" en een poos later voer het schip weg. Na eenigen tijd lag het weer stil. Toen klom hij naar boven, stak zijn hoofd door het luik en zag dat een tak van een Chinaasappelenboom met Chinaasappelen er aan over het dek hing. Hij maakte daaruit op dat hij in China was, brak den tak van den boom af, nam hem mee naar beneden en hield zich toen weer slapende. Kort daarop hoorde hij het zelfde rumoer als vroeger, de zelfde bevelen werden gegeven en de schuit zette zich weer in beweging. Na eenigen tijd werd het weer stil en ging hij weer kijken, en zag nu dat zijn schip weer op zijn oude plaats lag aan den Langendijk, want daar gebeurde het.
's Morgens vertelde hij den schipper alles wat hij den vorigen nacht beleefd had en toonde, als bewijsstuk, den tak met Chinaasappelen. Toen liet de vrouw van den schipper, die daar bij zat, zich ontvallen:
"Nou het was je geluk dat er bekend volk bij was, anders was je er zoo goed niet afgekomen en hadden ze je zeker vermoord."
Dat gezegde vond hij vreemd en zei er dus niets op terug, maar ging er over nadenken wat zij daar toch mee bedoeld kon hebben. Toen hij er lang genoeg over gedacht had, vroeg hij aan zijn baas of de vrouw 's nachts wel altijd thuis was.
"Jawel," zei de schipper, "maar waarom vraag je dat?"
"Nou ik ben er zoo zeker niet van als jij," zei de knecht.
"Dan weet ik geen beter raad, dan dat je van nacht bij ons in de kamer komt slapen, dan kan je je zelf overtuigen, niet alleen dat ze thuis is, maar ook zien hoe vast ze slaapt."
Dat vond de knecht goed.
Toen het middernacht geworden was, riep de knecht den schipper wakker en zei: "Je vrouw ligt daar nu schijnbaar rustig te slapen, maar laten we nu ers probeeren of we haar wakker kunnen krijgen."
Daar de schipper dat goed vond, riepen ze haar aan, schudden haar heen en weer, maar het gaf niets, de vrouw sliep en bleef slapen.
Toen zei de knecht: "Laten we haar nu eens in de andere kamer dragen en daar te bed leggen."
Dat gebeurde. Na eenigen tijd hoorden zij eerst zachtjes, maar later al harder kermen, zuchten en klagen.
Toen dat een poosje geduurd had zei de knecht: "Laten we haar nu weer in haar eigen bed leggen."
Dat ging aan en nauwelijks lag ze daar of het gekerm hield op en de vrouw werd wakker.
Toen ze haar man en den knecht gewaar werd, zei ze: "Zoo, ben jelui nou al op, geef me dan maar gauw een kop koffie, ik heb zeker vast geslapen."
Maar de knecht wist nu genoeg en de baas ook: namelijk dat zijn vrouw een kol was en dat zijn schip iederen nacht onder haar bevel naar China voer.
De Zuiderwouder, die mij dit verhaal vertelde, was zoo welwillend mij ook de verklaring te geven, waarom de knecht voorstelde het slapende lichaam der vrouw naar de andere kamer te dragen. Hij zei dan: "De kol die haar lichaam had verlaten om de reis naar China te maken, wilde natuurlijk na thuiskomst in zijn oude nestje terugkeeren, maar vond dat niet, doordien men de vrouw in de andere kamer had gelegd. Daarop begon de kol te zuchten en te kermen, maar hield daar mee op, toen men haar weer op haar eigen bed had gelegd, want toen zocht hij zijn oude plaats weer op, er kwam weer leven in het lichaam en de vrouw werd wakker.
(C. Bakker: `Geesten- en heksengeloof in Noord-Holland boven het IJ', in: De Gids 1922, p.109-110)
"O, dat is niks, dat gebeurt alle nachten en daarom willen wij er ook niet in slapen."
"Nou, ik dan wel," zei de knecht, en ging 's avonds in het vooronder wakker liggen.
's Nachts hoorde hij opeens een groot geraas. Er werd door verscheiden personen over het dek geloopen, gerend zelfs, en hij hoorde schreeuwen: "Maak los de touwen, haal op de zeilen, gooi om dat roer!" en een poos later voer het schip weg. Na eenigen tijd lag het weer stil. Toen klom hij naar boven, stak zijn hoofd door het luik en zag dat een tak van een Chinaasappelenboom met Chinaasappelen er aan over het dek hing. Hij maakte daaruit op dat hij in China was, brak den tak van den boom af, nam hem mee naar beneden en hield zich toen weer slapende. Kort daarop hoorde hij het zelfde rumoer als vroeger, de zelfde bevelen werden gegeven en de schuit zette zich weer in beweging. Na eenigen tijd werd het weer stil en ging hij weer kijken, en zag nu dat zijn schip weer op zijn oude plaats lag aan den Langendijk, want daar gebeurde het.
's Morgens vertelde hij den schipper alles wat hij den vorigen nacht beleefd had en toonde, als bewijsstuk, den tak met Chinaasappelen. Toen liet de vrouw van den schipper, die daar bij zat, zich ontvallen:
"Nou het was je geluk dat er bekend volk bij was, anders was je er zoo goed niet afgekomen en hadden ze je zeker vermoord."
Dat gezegde vond hij vreemd en zei er dus niets op terug, maar ging er over nadenken wat zij daar toch mee bedoeld kon hebben. Toen hij er lang genoeg over gedacht had, vroeg hij aan zijn baas of de vrouw 's nachts wel altijd thuis was.
"Jawel," zei de schipper, "maar waarom vraag je dat?"
"Nou ik ben er zoo zeker niet van als jij," zei de knecht.
"Dan weet ik geen beter raad, dan dat je van nacht bij ons in de kamer komt slapen, dan kan je je zelf overtuigen, niet alleen dat ze thuis is, maar ook zien hoe vast ze slaapt."
Dat vond de knecht goed.
Toen het middernacht geworden was, riep de knecht den schipper wakker en zei: "Je vrouw ligt daar nu schijnbaar rustig te slapen, maar laten we nu ers probeeren of we haar wakker kunnen krijgen."
Daar de schipper dat goed vond, riepen ze haar aan, schudden haar heen en weer, maar het gaf niets, de vrouw sliep en bleef slapen.
Toen zei de knecht: "Laten we haar nu eens in de andere kamer dragen en daar te bed leggen."
Dat gebeurde. Na eenigen tijd hoorden zij eerst zachtjes, maar later al harder kermen, zuchten en klagen.
Toen dat een poosje geduurd had zei de knecht: "Laten we haar nu weer in haar eigen bed leggen."
Dat ging aan en nauwelijks lag ze daar of het gekerm hield op en de vrouw werd wakker.
Toen ze haar man en den knecht gewaar werd, zei ze: "Zoo, ben jelui nou al op, geef me dan maar gauw een kop koffie, ik heb zeker vast geslapen."
Maar de knecht wist nu genoeg en de baas ook: namelijk dat zijn vrouw een kol was en dat zijn schip iederen nacht onder haar bevel naar China voer.
De Zuiderwouder, die mij dit verhaal vertelde, was zoo welwillend mij ook de verklaring te geven, waarom de knecht voorstelde het slapende lichaam der vrouw naar de andere kamer te dragen. Hij zei dan: "De kol die haar lichaam had verlaten om de reis naar China te maken, wilde natuurlijk na thuiskomst in zijn oude nestje terugkeeren, maar vond dat niet, doordien men de vrouw in de andere kamer had gelegd. Daarop begon de kol te zuchten en te kermen, maar hield daar mee op, toen men haar weer op haar eigen bed had gelegd, want toen zocht hij zijn oude plaats weer op, er kwam weer leven in het lichaam en de vrouw werd wakker.
(C. Bakker: `Geesten- en heksengeloof in Noord-Holland boven het IJ', in: De Gids 1922, p.109-110)
Onderwerp
SINSAG 0513 - Die verzauberte Jacht   
Beschrijving
Nieuwe knecht van schipper merkt dat de schuit 's morgens andersom ligt, gaat waken wat er 's nachts gebeurt. Met veel lawaai vaart het schip weg en ligt na enige tijd weer stil. de knecht klimt naar boven en ziet een tak van een sinaasappelboom over het dek hangen. Hij maakt daaruit op dat ze in China zijn. Kort daarna is er weer hetzelfde lawaai, de schuit gaat varen en na enige tijd ligt de schuit weer op zijn oude plaats. Hij vertelt alles aan de schipper, waarbij de vrouw van de schipper zegt dat hij geluk heeft gehad. Naderhand vraagt hij de schipper of zijn vrouw 's nachts wel thuis is. De schipper nodigt hem uit om op hun kamer te slapen om zich er van te overtuigen. De vrouw slaapt en is niet wakker te krijgen, waarop de knecht haar naar een andere kamer brengt. Daar begint ze te kermen, tot ze weer naar haar eigen kamer wordt gebracht. Ze wordt wakker, en beiden weten nub dat ze een kol is die het bevel vort over het schip. Verklaring is dat de kol die haar lichaam heeft verlaten dat na terugkomst van het schip eerst niet kan vinden, omdat de vrouw in de andere kamer is gelegd. Als de vrouw weer in haar eigen bed ligt kan de kol terugkeren.
Bron
C. Bakker: `Geesten- en heksengeloof in Noord-Holland boven het IJ', in: De Gids 1922, p.109-110.
Commentaar
1922
Het hier toegevoegde commentaar van de informant uit Zuiderwoude ontbreekt in de correspondentie met G.J. Boekenoogen. Vgl. CBAK0020, zie CBAK0445 en vgl. ook nog een andere gepubliceerde versie CBAK0507.
Die verzauberte Jacht
Naam Overig in Tekst
Chinaasappelenboom   
Chinaasappelen   
Zuiderwouder   
Naam Locatie in Tekst
China   
Langendijk   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
