Hoofdtekst
De doodsengel
In de buurt van Grouw loopt een vaart, waar vroeger geen brug over lag. De boeren die hier woonden, staken met een bootje over. Een weg was er niet. Om bij de aanlegsteiger te komen, moesten ze over een smal polderdijkje.
Er woonde een boer met een dochter, die Janke heette. Toen Jankes dagen waren geteld, gaf God een doodsengel opdracht haar te halen. Het was een nieuweling en in plaats van er meteen op af te gaan, wilde hij eerst van alles weten. Hoe laat hij er moest zijn, hoe hij er kwam, wat hij moest zeggen en wat hij moest doen als ze niet mee wilde.
God glimlachte en zei: "Ga nou maar, en wacht haar maar op bij de aanlegsteiger aan het polderdijkje. Daar komt ze langs en dan gaat alles vanzelf."
Toen het de volgende morgen licht werd, stond de doodsengel al op zijn post. Maar wie er voorbij kwam, Janke niet. Pas bij het vallen van de avond zag hij haar over het dijkje aankomen.
Hij was zo opgewonden, dat hij zijn zelfbeheersing verloor en haar zonder een woord bij de handen greep.
Ze schrok van zijn asgrauwe gezicht, rukte zich los, schopte haar klompen uit en zette het op een lopen. Het bootje was wat afgedreven door de wind en toen ze er in wilde springen om naar de overkant te varen, struikelde ze. Ze viel voorover in het koude donkere water van de vaart.
De doodsengel sprong haar na.
Toen hij met Janke bij God kwam, stuurde deze haar meteen door naar de hemel. Maar de engel wou nog wat zeggen. Hij vond dit geen werken. Het was heel anders gegaan dan hij had verwacht.
Per slot van rekening moest er orde en regelmaat zijn.
God knikte en zei: "Dat ben ik met je eens, orde en regelmaat moet er zijn. Maar kijk..."
Hij sloeg het grote boek open, waar de levens in staan van de mensen van vroeger, van nu en van later, en hield zijn vinger bij het leven van Janke. Daar stond dat ze bij de steiger aan het polderdijkje zou verdrinken.
De doodsengel zweeg beschaamd.
Soms, als hij niet weet wat hij moet doen, loopt hij over het polderdijkje op en neer om rustig te kunnen nadenken.
De mensen, die de zwarte gedaante zien rondwaren, denken dat het er spookt. Dat komt door hun onwetendheid.
(Friesland)
In de buurt van Grouw loopt een vaart, waar vroeger geen brug over lag. De boeren die hier woonden, staken met een bootje over. Een weg was er niet. Om bij de aanlegsteiger te komen, moesten ze over een smal polderdijkje.
Er woonde een boer met een dochter, die Janke heette. Toen Jankes dagen waren geteld, gaf God een doodsengel opdracht haar te halen. Het was een nieuweling en in plaats van er meteen op af te gaan, wilde hij eerst van alles weten. Hoe laat hij er moest zijn, hoe hij er kwam, wat hij moest zeggen en wat hij moest doen als ze niet mee wilde.
God glimlachte en zei: "Ga nou maar, en wacht haar maar op bij de aanlegsteiger aan het polderdijkje. Daar komt ze langs en dan gaat alles vanzelf."
Toen het de volgende morgen licht werd, stond de doodsengel al op zijn post. Maar wie er voorbij kwam, Janke niet. Pas bij het vallen van de avond zag hij haar over het dijkje aankomen.
Hij was zo opgewonden, dat hij zijn zelfbeheersing verloor en haar zonder een woord bij de handen greep.
Ze schrok van zijn asgrauwe gezicht, rukte zich los, schopte haar klompen uit en zette het op een lopen. Het bootje was wat afgedreven door de wind en toen ze er in wilde springen om naar de overkant te varen, struikelde ze. Ze viel voorover in het koude donkere water van de vaart.
De doodsengel sprong haar na.
Toen hij met Janke bij God kwam, stuurde deze haar meteen door naar de hemel. Maar de engel wou nog wat zeggen. Hij vond dit geen werken. Het was heel anders gegaan dan hij had verwacht.
Per slot van rekening moest er orde en regelmaat zijn.
God knikte en zei: "Dat ben ik met je eens, orde en regelmaat moet er zijn. Maar kijk..."
Hij sloeg het grote boek open, waar de levens in staan van de mensen van vroeger, van nu en van later, en hield zijn vinger bij het leven van Janke. Daar stond dat ze bij de steiger aan het polderdijkje zou verdrinken.
De doodsengel zweeg beschaamd.
Soms, als hij niet weet wat hij moet doen, loopt hij over het polderdijkje op en neer om rustig te kunnen nadenken.
De mensen, die de zwarte gedaante zien rondwaren, denken dat het er spookt. Dat komt door hun onwetendheid.
(Friesland)
Beschrijving
God geeft opdracht aan een doodsengel om de dochter van de boer te halen. De engel is onervaren, en wil alles weten. Als de dochter de doodsengel nadert, grijpt deze haar handen. Het meisje schrikt en springt in het water. De doodsengel neemt haar mee naar God. God laat het boek zien waar de levensloop van alle mensen in beschreven staat, en waarin dus ook vermeld staat dat dit meisje bij het polderdijkje zou verdrinken.
Bron
E. de Jong & P. Klaasse: Sagen en Legenden van de Lage Landen. Bussum 1980, p. 30
Motief
N115 - Book of fate.   
D1812.1.2.   
Commentaar
Bron: Y. Poortinga: It fleanend skip, Baarn[etc.], 1977, pp.175-177
Naam Overig in Tekst
Janke   
God   
Naam Locatie in Tekst
Grouw   
Plaats van Handelen
Grouw (Friesland)   
Kloekenummer in tekst
B094p   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
