Hoofdtekst
De helhond
Op een boerderij bij Ulvenhout werkte een knecht die bekend stond als een beste kerel, zo lang je hem niet kwaad maakte.
Zes dagen van de week zwoegde hij als een paard, maar 's zondags nam hij het ervan.
Dan liep hij de herbergen in de buurt af, goot zich vol bier en jonge klare, en was de laatste die vertrok. Hoe hij thuiskwam, was een raadsel.
Elke zondagnacht moest de boer zijn bed uit om de knecht binnen te laten. Hij kon veel van hem verdragen, maar op den duur werd het te gortig.
"Ik waarschuw je voor het laatst," zei de boer op een zondagmorgen. "Als je vanavond niet om elf uur thuis bent, kom je voor een gesloten deur."
"Ik zal op tijd zijn, baas," zei de knecht, en hij vertrok.
Hij nam er een paar in De Lederen Emmer en een paar in De Druivelaar.
De rest van de avond bracht hij door in De Vergulde Adelaar. Hij kondigde aan dat hij om elf uur thuis wou zijn.
Beneveld door de drank, merkte hij niet dat zijn makkers de klok een uur terug zetten.
Toen hij aanstalten maakte op te stappen, wees de klok vijf voor elf.
Zijn vrienden probeerden hem over te halen er nog eentje te nemen, maar hij waggelde naar buiten en riep: "Ik zal op tijd thuis zijn, al moet de duivel mij helpen!"
Buiten zag hij een zwart beest met een paar gloeiende ogen op zich afkomen. Het sprong tussen zijn benen en lichtte hem als een veertje van de grond. De wind suisde langs zijn oren. Met de dronkeman op zijn rug vloog de helhond over de weg.
Toen de torenklok twaalf uur sloeg, stond het ondier stokstijf stil. Door de schok tuimelde de knecht in de modder. Hij was thuis.
Hij sloeg met zijn vuist op de deur, en riep: "Boer, doe open!"
Het bleef stil. Hij bleef net zo lang beuken tot hij door het bovenlicht de boer met een kaars de trap af zag komen.
"Je komt er vannacht niet in," zei de boer aan de andere kant van de deur.
"Ik heb je gewaarschuwd. Je bent een uur te laat."
Hij ging weer naar bed en liet de knecht in de kou staan.
Een duivelse woede maakte zich van de dronkeman meester. Tierend en scheldend liep hij om de boerderij om te kijken of hij zich niet ergens toegang kon verschaffen.
Maar alle deuren en ramen waren stevig gesloten.
In zijn razernij rukte hij tenslotte zijn pet van het hoofd en smeet die tegen de gevel van het huis. Tot zijn ontsteltenis brokkelde de muur af tot een manshoog gat was ontstaan, waar de hond met een sprong in verdween. De knecht volgde hem.
De volgende morgen vond de boer zijn knecht met een paarse kop in de keuken op de grond liggen. Hij was gestikt.
Niemand kon het gat in de muur verklaren, en niemand slaagde erin het te dichten.
Later werd de hoeve tot de laatste steen afgebroken, om elke herinnering aan het gebeurde uit te wissen.
(Noord-Brabant)
Op een boerderij bij Ulvenhout werkte een knecht die bekend stond als een beste kerel, zo lang je hem niet kwaad maakte.
Zes dagen van de week zwoegde hij als een paard, maar 's zondags nam hij het ervan.
Dan liep hij de herbergen in de buurt af, goot zich vol bier en jonge klare, en was de laatste die vertrok. Hoe hij thuiskwam, was een raadsel.
Elke zondagnacht moest de boer zijn bed uit om de knecht binnen te laten. Hij kon veel van hem verdragen, maar op den duur werd het te gortig.
"Ik waarschuw je voor het laatst," zei de boer op een zondagmorgen. "Als je vanavond niet om elf uur thuis bent, kom je voor een gesloten deur."
"Ik zal op tijd zijn, baas," zei de knecht, en hij vertrok.
Hij nam er een paar in De Lederen Emmer en een paar in De Druivelaar.
De rest van de avond bracht hij door in De Vergulde Adelaar. Hij kondigde aan dat hij om elf uur thuis wou zijn.
Beneveld door de drank, merkte hij niet dat zijn makkers de klok een uur terug zetten.
Toen hij aanstalten maakte op te stappen, wees de klok vijf voor elf.
Zijn vrienden probeerden hem over te halen er nog eentje te nemen, maar hij waggelde naar buiten en riep: "Ik zal op tijd thuis zijn, al moet de duivel mij helpen!"
Buiten zag hij een zwart beest met een paar gloeiende ogen op zich afkomen. Het sprong tussen zijn benen en lichtte hem als een veertje van de grond. De wind suisde langs zijn oren. Met de dronkeman op zijn rug vloog de helhond over de weg.
Toen de torenklok twaalf uur sloeg, stond het ondier stokstijf stil. Door de schok tuimelde de knecht in de modder. Hij was thuis.
Hij sloeg met zijn vuist op de deur, en riep: "Boer, doe open!"
Het bleef stil. Hij bleef net zo lang beuken tot hij door het bovenlicht de boer met een kaars de trap af zag komen.
"Je komt er vannacht niet in," zei de boer aan de andere kant van de deur.
"Ik heb je gewaarschuwd. Je bent een uur te laat."
Hij ging weer naar bed en liet de knecht in de kou staan.
Een duivelse woede maakte zich van de dronkeman meester. Tierend en scheldend liep hij om de boerderij om te kijken of hij zich niet ergens toegang kon verschaffen.
Maar alle deuren en ramen waren stevig gesloten.
In zijn razernij rukte hij tenslotte zijn pet van het hoofd en smeet die tegen de gevel van het huis. Tot zijn ontsteltenis brokkelde de muur af tot een manshoog gat was ontstaan, waar de hond met een sprong in verdween. De knecht volgde hem.
De volgende morgen vond de boer zijn knecht met een paarse kop in de keuken op de grond liggen. Hij was gestikt.
Niemand kon het gat in de muur verklaren, en niemand slaagde erin het te dichten.
Later werd de hoeve tot de laatste steen afgebroken, om elke herinnering aan het gebeurde uit te wissen.
(Noord-Brabant)
Onderwerp
SINSAG 0892 - Das Loch in der Wand; kann nicht geschlossen werden: Teufel flog durchs Loch.   
Beschrijving
Een boerenknecht gaat elke zondag alle herbergen langs om zich vol te gieten. Elke zondagnacht moet de boer 's nachts uit zijn bed komen om de knecht binnen te laten. De boer waarschuwt de knecht, en zegt dat hij voor elf uur thuis moet zijn. Zijn makkers echter zetten de klok een uur terug. De klok staat op vijf voor elf als de knecht vertrekt. Onderweg naar huis komt hij de helhond tegen, die hem op zijn rug naar huis brengt. De boer laat hem er niet in; hij is immers een uur te laat. De knecht wordt razend en gooit zijn pet tegen de gevel van het huis. Een groot gat ontstaat, waar de hond en de knecht door verdwijnen. De volgende morgen vindt de boer de knecht met een paars hoofd op de keukenvloer. Hij is gestikt.
Niemand kan het gat in de muur verklaren, niemand slaagt erin het gat te dichten.
Niemand kan het gat in de muur verklaren, niemand slaagt erin het gat te dichten.
Bron
E. de Jong & P. Klaasse: Sagen en Legenden van de Lage Landen. Bussum 1980, p. 45
Commentaar
1980
Bron: H. Kunst: Brabantsche sagen, Turnhout 1934, pp.24-30
Van een helhond wordt ook melding gemaakt in drie oude Groningse dorpen: Tolbert, Rottum en Warffum. Het zwarte beest met zijn vurige ogen was volgens de Groningse beschrijving beladen met gloeiende ketens.(E. de Jong &P.Klaasse, Sagen en Legenden van de Lage Landen, Bussum 1980 ,p.159)
Van een helhond wordt ook melding gemaakt in drie oude Groningse dorpen: Tolbert, Rottum en Warffum. Het zwarte beest met zijn vurige ogen was volgens de Groningse beschrijving beladen met gloeiende ketens.(E. de Jong &P.Klaasse, Sagen en Legenden van de Lage Landen, Bussum 1980 ,p.159)
Der Loch in der Wand.
Naam Overig in Tekst
De Lederen Emmer   
De Druivelaar   
De Vergulde Adelaar   
Naam Locatie in Tekst
Ulvenhout   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
