Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

SINVS004 - Van de twee koningskinderen

Een sprookje (boek), 1904

Leonardo_Diffusion_XL_a_girl_spits_some_saliva_on_the_stairs_1_0.jpg

Hoofdtekst

VAN DE TWEE KONINGSKINDEREN
Er was eens een koning, die had een zoontje en een dochtertje waar hij heel veel van hield. Eens vroegen ze of ze uit wandelen mochten gaan. Ze gingen toen het bos in en terwijl ze bloemen plukten, liepen ze al verder en verder weg.
Eindelijk waren ze moe en ze gingen op het gras uitrusten.
Na een tijdje zei het zusje: "Nu moeten we naar huis gaan."
"Ja," zei het broertje, "het wordt al laat."
Ze keerden dan weer terug, maar ze wisten de weg niet meer te vinden en dwaalden hoe langer hoe verder van het paleis af.
Toen ze eindelijk zagen, dat ze verdwaald waren, bleven ze staan en begonnen te schreien en zeiden: "Wat moeten we nu doen!"
Terwijl ze daar stonden, kwam er een oude vrouw aan en die vroeg: "Wel kindertjes, wie ben je en waarom ben je zo bedroefd?"
"Wij zijn koningskinderen," zei het zusje toen, "en we hebben bloemen geplukt en nu kunnen we vaders paleis niet meer terugvinden."
"Is het anders niet," zei de vrouw, "ga dan maar met mij mee. Het is nu te laat geworden om je naar het paleis te brengen, maar bij mij thuis zul je het goed hebben."
Broertje en zusje konden niet veel anders doen dan met de oude vrouw meegaan en al heel gauw kwamen ze bij het huisje, waar ze met haar man woonde. Ze gaf de kinderen wat te eten en maakte een bed voor hen op. Maar toen ze de volgende dag vroegen om naar huis gebracht te worden, zei de vrouw, dat dat niet kon, want dat ze vandaag geen tijd had en zo gingen vele dagen voorbij. Stilletjes weglopen durfden ze ook niet, want 's avonds en 's nachts riep de vrouw telkens: "Kindertjes, liggen jullie wel in bed?" en dan moesten ze antwoorden: "Ja, we zijn hier" en dan zou het dus dadelijk uitgekomen zijn, als ze weg waren. Ze moesten dus tegen hun zin in het huisje blijven.
Zo was er een poos voorbijgegaan, toen zusje op een vroege morgen toevallig hoorde, dat de man en de vrouw over broertje praatten.Ze wisten niet, dat zusje hen kon horen en de vrouw zei: "Er moet een eind aan komen. Ik kan Jan niet langer uitstaan. Zusje is een meisje, die kun je voor allerlei gebruiken, maar van Jan heb je niets als last. Die moeten we kwijt zien te raken."
"Ja," zei de man, "mij is het goed, maar hoe zal je dat doen zonder dat zusje het merkt?"
"O," zei de vrouw, "dat is makkelijk genoeg. Ik zal morgenochtend wat vergif in zijn pap doen!"
Toen durfde het zusje niet langer te luisteren. Ze ging gauw naar Jan toe en zei, dat hij zijn pap niet moest opeten, maar dat de vrouw niet mocht merken dat hij er niets van at.
Toen ze nu hun pap kregen, zei zusje: "Het is zulk heerlijk weer. Mogen we de pap voor de deur opeten?"
"Och jawel," zei de vrouw, "maar kom dadelijk weer binnen."
Dat beloofden ze, maar Jan liet zijn pap in de sloot lopen en at met zusje mee.
De vrouw had er natuurlijk niets van gemerkt, maar ze was heel verwonderd dat Jan 's middags nog gezond en vrolijk was.
Toen de kinderen weer eten kregen, zei zusje: "Het is zulk mooi weer, mogen wij niet voor de deur eten?""Neen," zei de vrouw, "wat is dat nu voor malligheid; je kunt best binnen eten, zoals altijd."
Maar zusje hield zolang vol en zei, dat het 's morgens zo prettig was geweest, dat de vrouw eindelijk toegaf. Ze had deze keer nog meer vergif genomen dan 's morgens, maar omdat Jan's eten weer de sloot in ging had hij daar geen hinder van.
's Avonds voor de kinderen naar bed gingen, kregen ze weer pap, maar Jan zei, dat hij helemaal geen trek had."Kom, kom," zei de vrouw, "je moet toch maar wat eten."
Maar Jan bleef zeggen, dat hij bepaald niets kon eten, want dat hij 's middags al zoveel gegeten had. Toen drong de vrouw niet verder aan; ze was blij, omdat ze meende dat het vergif begon te werken en kort daarna werden de kinderen naar boven gestuurd om te gaan slapen. Maar slapen deden de koningskinderen niet! Want zusje begreep, dat ze geen dag langer in dat huisje konden blijven en ze had dus met broertje afgesproken dat ze 's nachts zouden vluchten, er mocht dan van komen wat wilde.
De vrouw riep een paar maal: "Kindertjes, liggen jullie wel in bed!" en zij antwoordden: "Ja, wij zijn hier."
Maar toen ook de man en de vrouw gingen slapen, werd het stil. Zusje en broertje stonden toen voorzichtig op en liepen op hun kousen naar de trap om naar beneden te gaan.
Toen spuugde zusje op de treden van de trap en zei tegen de spuugjes, dat als ze hoorden roepen, zij voor hen moesten antwoorden: "Ja, wij zijn er!"
Daarna gingen ze de trap af, maakten de deur open en liepen zo hard als ze konden het bos in naar huis toe. Het was pikkedonker en ze kwamen dus niet heel hard vooruit en ze hadden ook maar korte beentjes, zodat ze, toen het morgen werd nog ver van het paleis af waren.
Midden in de nacht werd de vrouw wakker en ze riep als gewoonlijk: "Kindertjes, liggen jullie wel in bed?"
Maar toen ze hoorde, dat zij er waren, sliep ze weer rustig in.
Met het aanbreken van de dag riep ze weer. Natuurlijk dacht ze, dat de kinderen zouden opstaan, maar al waren zij en haar man allang aangekleed, de kinderen kwamen maar niet naar beneden. Eindelijk werd ze kwaad, omdat ze meende, dat de kinderen haar voor de gek hielden, want telkens als ze riep werd er geantwoord. Ze stuurde dus haar man met de tang naar boven om een eind aan die kunsten te maken. Maar toen die boven kwam, kon hij vrij in alle hoeken en gaten zoeken, de kinderen vond hij niet.
De vrouw werd ongeduldig en riep, waar de kinderen bleven en er werd weer geantwoord, dat ze er waren.
Toen merkte de man, hoe de vork in de steel zat en hij riep naar beneden: "De kinderen zijn weg en ze hebben hun spuugjes op de trap gezet om te zeggen, dat ze er nog zijn."
De vrouw schrok zo, dat ze het eerste ogenblik geen woord kon zeggen, maar het duurde niet lang of ze wist wat ze doen zou. Ze dacht: schelden en razen geeft niet, daardoor krijg ik ze niet terug. Ze zijn me te slim af geweest, maar dat is niets, ik kan ze makkelijk genoeg inhalen. Dus ging ze de kinderen achterna, zo hard als ze maar kon. En jawel, na een poosje was ze hen zo dicht op de hielen, dat ze hen uit de verte zag.
Maar zusje merkte ook, dat de vrouw hen volgde en zei tegen broertje: "Ga gauw met me mee hiernaast in het koolland. Dan zullen we in een kool kruipen en dan kan de vrouw ons niets doen."
Dat gebeurde; ze kropen in de kool. En toen de vrouw op de plek kwam, waar ze de koningskinderen het laatst had gezien, zag ze niets dan een veld vol met koolplanten."Ze zijn toch slimmer dan ik dacht," zei ze, "maar het zal ze niet helpen, ik weet heel goed, dat ze in de kool zitten."
Ze ging het koolland in. Ze bekeek en bevoelde de kolen één voor één en eindelijk vond ze een kool, waar broertje en zusje in verscholen zaten.
Ziezo, dacht ze, nou heb ik jullie.
Maar hoe ze ook trok en kneep om de bladen van de kool van elkaar te krijgen, het lukte haar niet. Ze werd boos en trok en krabde nog harder.
Maar de kool ging niet open. Toen ze zag, dat het zo niet ging, stond ze op en erg uit haar humeur liep ze nog harder dan ze gekomen was naar huis terug om een mes te halen.
Zodra merkten de kinderen niet dat ze weg was, of ze kropen weer uit hun schuilhoek te voorschijn en zetten het op een lopen om maar bij het paleis te komen.
De vrouw liep onderwijl terug en toen ze in haar huis was, greep ze het eerst het beste mes, dat voor de hand lag en ging toen weer de kinderen achterna. Ze liep veel harder dan de vorige keer en voordat de kinderen bij hun ouders konden komen had ze hen weer ingehaald. Zusje merkte weer het eerst dat ze er aankwam en bijtijds wist zij zich met broertje weer in een kool te verschuilen.
Toen de vrouw bij hen kwam, waren ze weer onzichtbaar. De vrouw had nu echter een mes en het duurde niet lang, of ze had de kool gevonden en ze probeerde die met haar mes open te snijden. Maar mis hoor! Wat ze sneed, het mes was veel te bot en met geen mogelijkheid kon ze de kool open krijgen. Je kunt begrijpen hoe nijdig ze was dat ze in de haast een mes had gepakt, dat bot was, want nu moest ze opnieuw naar huis om een ander te halen.
Maar er zat niets anders op en ze vloog dus weer terug. Thuis nam ze het puntigste en scherpste mes uit de kast en voor alle zekerheid zette ze het nog eens goed aan op de slijpsteen en ze zei: "Nu voor de derde keer zullen jullie me niet meer ontsnappen."
Maar door het heen- en weerlopen en door de tijd, die ze aan het uitzoeken en slijpen van het mes had besteed, waren de kinderen haar een heel eind vooruitgekomen en hoe hard de vrouw ook liep, juist een halve minuut eerder dan zij, waren de koningskinderen bij het paleis. Ze liepen dadelijk naar binnen naar de zaal, waar de koning was en je kunt denken hoe blij hij was, toen hij zijn kinderen eindelijk weer terughad.
Maar ook de vrouw was het paleis binnengegaan, want de soldaten hadden haar niet tegen kunnen houden, zo hard liep ze.
Toen ging ze op de kinderen af en zei: "Heb ik je daar eindelijk, bengels. Mars, hier vandaan en dadelijk met mij mee naar huis."
De koning hoorde vreemd op en hij fronste zijn wenkbrauwen, maar de vrouw was niet bang en zei: "Met uw verlof, majesteit, mijn kinderen zijn vannacht weggelopen en ze moeten weer met mij mee, daar helpt geen lieve moederen aan."
Of de koning al zei, dat het zijn eigen kinderen waren, het gaf niets, de vrouw wilde niet toegeven. Dat begon de koning ten laatste te vervelen en om er een eind aan te maken, liet hij zijn soldaten binnenkomen en liet haar de keus of gevangen genomen te worden of zich tevreden te stellen met honderd gulden en rustig naar huis te gaan. En omdat ze zag, dat ze het toch niet kon winnen, koos ze de honderd gulden.
Toen leefde de koning voortaan heel gelukkig met zijn zoon en dochter. En toen Jan groot geworden was, werd hij koning in plaats van zijn vader en zijn zusje trouwde met een prins uit een naburig land. En als ze niet gestorven zijn, dan leven ze nog.
(Zuid-Holland)

Onderwerp

AT 0313 - The Magic Flight    AT 0313 - The Magic Flight   

ATU 0313 - The Magic Flight.    ATU 0313 - The Magic Flight.   

Beschrijving

Twee koningskinderen verdwalen in een bos, waar een oude vrouw ze vindt en mee naar haar huis neemt. Daar houdt ze de kinderen een tijdje vast. Ze probeert het broertje te vergiftigen, maar het zusje kan hem bijtijds waarschuwen. De nacht daarop vluchten de kinderen, maar worden de volgende dag al snel ingehaald door de vrouw. Ze vluchten in een kool opdat de vrouw hen niet kan grijpen. De vrouw besluit daarom van huis een mes te halen. Dit geeft de kinderen de gelegenheid verder te vluchten. Tenslotte bereiken ze net voor de vrouw het paleis. De vrouw is ook naar binnen gerend en eist daar de kinderen op. Dit zint de koning niet en stelt haar voor de keuze of gevangen genomen te worden of rustig naar huis te gaan. De vrouw verdwijnt.

Bron

J.R.W. Sinninghe: Volkssprookjes uit Nederland en Vlaanderen. Den Haag 1978, p. 17-21

Commentaar

[1904]
Bron: G.J. Boekenoogen: 'Nederlandsche sprookjes en vertelsels', in: Volkskunde 16 (1904), p.244-249.
The Girl as Helper in the Hero's Flight

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20