Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

SINVS006 - De geit die de wereld hoorde kraken

Een sprookje (boek),

130.jpg

Hoofdtekst

DE GEIT DIE DE WERELD HOORDE KRAKEN
In de tijd dat de dieren nog spreken konden, was er eens een geit, die vastgebonden stond in een stalletje bij een klein huisje. Op een nacht, toen het erg stormde, woei de wind de deur van het stalletje uit de hengsels en de deur viel om met een groot lawaai.De geit dacht niet anders dan dat ze de wereld hoorde kraken en trok van schrik het touw stuk waarmee ze gebonden was en rende het stalletje uit om van de wereld weg te vluchten.Ze liep, en ze liep, altijd maar rechtoe, rechtaan, tot ze vroeg in de morgen bij een grote boerderij kwam en op het hek van die boerderij zat een haan te kraaien.
"Waar loop je zo hard naar toe?" vroeg de haan.
"Ik heb de wereld horen kraken en ik vlucht ervandaan," antwoordde de geit.
"Dan loop ik ook mee," zei de haan, "want het is morgen bruiloft op de boerderij en dan willen ze mij slachten en opeten."
Zo liepen ze samen verder, altijd maar rechtoe, rechtaan.
Toen ze een hele tijd gelopen hadden, kwamen ze een kat tegen die aan de rand van een bos zat te spinnen.
"Waarom lopen jullie zo hard?" vroeg de kat.
"Wij hebben de wereld horen kraken en wij vluchten ervandaan."
"Zo, dan loop ik met jullie mee," zei de kat, "want ik heb de handen van onze bazin opengekrabd toen ze op mijn staart trapte en nu hebben ze mij het huis uitgejaagd."
Zo waren ze dan met z'n drieën. Ze liepen naast elkaar, om het hardst, tot ze tegen de middag aan een huis kwamen, waar op de drempel een hond, zo lang als hij was, zich lag te koesteren in de zon.
"Waarvoor lopen jullie zo hard, vrienden?" vroeg de hond, die hen hoorde aankomen.
"Wij vluchten van de wereld vandaan, want we hebben haar horen kraken," was het antwoord.
"Wel," zei de hond, "dan loop ik ook mee, want ik heb er meer dan genoeg van om straks weer aan de ketting te liggen voor mijn hok om het huis te bewaken."
Ze liepen, ze liepen, alle vier, altijd maar rechttoe, rechtaan, straat in, straat uit, bos in bos uit, en tegen de avond kwamen zij aan een grote weg en daar zagen ze een ezel, die distels plukte langs de kant van een sloot.
"Waarvoor lopen jullie zo hard?" vroeg de ezel.
"Kom met ons mee, vriend, want wij hebben de wereld horen kraken en wij vluchten er vandaan," zei de geit.
"O! o!, als dat waar is," zei de ezel, "dan loop ik ook mee, want ik ben het moe om altijd de kar van mijn baas te moeten trekken en nooit van zijn leven genoeg te eten te krijgen."
En hij liet zijn distels staan en sloot zich bij hen aan.
Het werd al schemerdonker toen de vijf vrienden in een groot, donker bos kwamen, en toen ze bemerkten hoe uitgestrekt dat bos was, liepen ze nog eens zo hard om er weer uit te komen, want ze hadden zo graag hun avondeten gehad en in het bos was niets, maar dan ook helemaal niets te vinden.
Hoe verder ze echter liepen, hoe dichter en wilder het bos werd en op het laatst was het er zo donker dat ze geen hand voor ogen meer konden zien en heel dicht bij elkaar moesten blijven.
Je kunt begrijpen dat ze er treurig aan toe waren en van vermoeidheid gingen ze onder een denneboom liggen. Daar beraadden ze wat ze doen zouden om uit dat bos te geraken.De kat, die de slimste van allemaal was, zei: "Ik zie bij dag en ik zie bij nacht. Ik zal eens in die denneboom klimmen en naar links en naar rechts uitkijken of ik ergens geen plaats kan zien, waar iets eetbaars voor ons te vinden is."
Zij klauterde in de denneboom en keek naar alle vier de windstreken, maar, och jee, ze zag niets als bos, en bos, en nog eens bos zo ver als haar ogen reikten, maar aan de oostkant zag zij dichtbij een heuvel van geel zand, die boven de bomen uitstak.
"Ik weet nog een middel," zei ze, nadat ze uit de boom geklommen was. "Niet ver hier vandaan, in het oosten, heb ik een hoge heuvel zien liggen. Daar zullen we naar toe gaan en dan zal vriend Koekeloerehaan van die heuvel omhoog vliegen, zo hoog als hij maar kan en hij zal naar alle kanten uitkijken of hij niets gewaarwordt wat ons uit de nood kan helpen."Zo gezegd, zo gedaan. De haan vloog omhoog, al hoger en hoger. "Zie je nog niets?" vroegen de anderen.
"Niets! niets! niets!" zei de haan.
"Vlieg nog maar hoger, hoger, hoger," riepen ze.
En hij vloog nog hoger, nog hoger, nog hoger en opeens: "Licht! licht! ik zie licht!" kraaide hij.
Daarna vloog hij snel naar beneden.
"Verder naar de oostkant, juist in het midden van het bos, heb ik licht gezien," zei hij, "daar zullen we naar toe trekken om te zien wat het is."
Zo kregen ze weer nieuwe moed en de kat liep voorop om de weg te wijzen en ze gingen recht op het licht af. Toen ze een tijdje gelopen hadden, zagen ze allemaal het licht, dat al groter en groter werd. Opeens zagen ze dat het licht uit het venster van een mooi huisje kwam, dat van peperkoeken was gebouwd en met vlaaien was gedekt.
En zij... heel voorzichtig aan het spieden door een spleet in de deur wat daar allemaal te zien was en zo zagen ze heel het huisje vol wolven zitten die volop aan het feesten waren, want ze aten rijstepap van zilveren borden.
"Hé, konden we daar maar binnen komen, wat zouden we smullen," zei de kat.
"Ja, maar de wolven zouden ons opeten," zei de geit.
"Ik ben alleen niet sterk genoeg, anders zou ik ze wel uit hun huisje jagen," zei de hond.
"Als het hanen waren, ik zou ze wel aankunnen met mijn felle sporen," zei Koekeloerehaan.
"Ik weet wat, vrienden," sprak de ezel die tot nu toe niets gezegd had.
"Wat dan?" vroegen ze allemaal.
"Wel," zei de ezel toen, "wij zijn niet sterk genoeg om de wolven te verjagen door met ze te vechten, maar we zouden ze eruit kunnen schreeuwen. Luister hoe we dat zullen klaarspelen. Ik zal op mijn achterpoten gaan staan, met mijn voorpoten op de vensterbank. Vriend hond zal op mijn nek klimmen en ook zo gaan staan, zuster geit op vriend hond, poezeke kat op de horens van zuster geit en meester Koekeloerehaan op poezeke kat haar rug. En dan zullen we allemaal beginnen te schreeuwen en lawaai te maken, ieder op zijn eigen manier, zo hard als het maar mogelijk is... en dan zul je eens zien hoe al die feestvierders het op een lopen zullen zetten."
"Heer Langoor, wat ben je toch slim," zei de kat toen, "we zullen het dadelijk doen."De ezel ging op zijn achterpoten staan, met zijn voorpoten op de vensterbank, en allen klommen langs zijn rug omhoog, en toen de kat op de horens van de geit zat, vloog meester Koekeloerehaan op haar rug en kraaide: "Laat ons maar beginnen!"
En toen begonnen ze allemaal tegelijk: de ezel balkte, de hond blafte, de geit blaatte, de kat miauwde, de haan kraaide, en dat was me een rumoer en een lawaai dat het huisje ervan daverde en het heel het bos doorklonk.
Je had eens moeten zien wat voor gezichten die wolven trokken en hoe ze hun borden lieten vallen en hoe ze uit het huisje renden, de een voor, de ander na, hals over kop, het bos in. Ze dachten niet anders of al de duveltjes uit de hel waren losgebroken.
De vijf vrienden, die hadden geschreeuwd tot er geen wolf meer in de buurt van het huisje te bekennen viel, sprongen nu van elkaars rug af en gingen blij naar binnen. Daar vonden ze het lekkerste en overvloedigste eten dat je je maar denken kunt. Ze smulden en feestten tot diep in de nacht, en toen ze moe waren, deden ze het licht uit en elk zocht een plek uit om te gaan slapen. De kat ging aan de haard bij de warme as liggen, de hond bij de gootsteen, de geit tegen de deur, de ezel in het voorhuis en de haan bovenop de deur.
Terwijl ze rustig en onbekommerd sliepen, zaten de wolven in een grote kring in het bos bijeen en zuchtten en klaagden en overlegden hoe ze weer in het huisje zouden kunnen komen.Een grijze wolf, die de oudste en wijste van allemaal was, zei toen: "Wij hebben ons misschien veel te vlug bang laten maken; laat een van ons eens gaan zien wie er in het huisje is."De anderen gaven hem groot gelijk, maar er was toch niemand die durfde gaan. Tenslotte zei de oude, grijze wolf dat hij dan maar zelf zou gaan.
Toen hij bij het huisje kwam, zag hij dat het licht uit was en dat daarbinnen alles stil was. Hij opende de deur en liep recht op de haard af om te zien of er geen vonk in de as was, zodat hij licht kon maken.
Maar toen hij zijn poot uitstak om in de as te rakelen, krabde de kat hem zo fel dat het bloed uit zijn poot kwam.
"Au!" schreeuwde de wolf en hij liep naar de gootsteen om het bloed van zijn poot te wassen, maar daar beet de hond hem zo vreselijk in zijn billen dat de lappen erbij hingen.
Al jankend liep de oude wolf naar de deur om het huisje te ontvluchten, maar daar gaf de geit hem zo'n lelijke stoot met haar horens, dat hij wel tien passen verder vloog door het voorhuis en eer hij buiten was, kreeg hij nog zo'n schop van de achterpoten van de ezel, dat hij dacht dat al zijn ribben gebroken waren en ondertussen kraaide de haan almaar:
"Breng hem eens hier! Breng hem eens hier!"
Al huilend en hinkepinkelend trok de wolf door het bos, en toen de andere wolven hem zo toegetakeld zagen aankomen, vroegen ze: "Och! och! wat is er toch gebeurd?"
"O, o, o, van zijn leven ga ik niet meer naar dat kwaje huisje!" riep de wolf uit. "Toen ik binnenkwam, wou ik gaan zien of er nog vuur in de haard was, en daar zat me een oude heks in de as met een ijzeren kam en ze haalde die kam over mijn poot dat het bloed eruit liep. Toen wou ik het bloed gaan afwassen bij de gootsteen, maar daar kneep een smid me zo vreselijk met zijn tang in mijn billen dat de lappen erbij hingen en eer ik de deur uit was, sloeg hij mij nog eens met de benen van de tang tegen mijn poten dat ik tien pas ver vloog door het voorhuis. Maar dat was nog niet alles! Eer ik het voorhuis uit was, sloeg mij een smidsknecht met zijn voorhamer zo hard op mijn ribben dat ik dacht dat ze allemaal gebroken waren en toen riep er nog een:
"Breng hem eens hier! Breng hem eens hier!" Gelukkig dat ik het huisje uit was, want anders hadden jullie mij niet levend teruggezien."
Sindsdien durfde er geen enkele wolf meer in de buurt van het huisje te komen en de vijf vrienden bleven er wonen en als ze niet vertrokken zijn, wonen ze er nog.
(Oost-Vlaanderen)

Onderwerp

AT 0130 - The Animals in Night Quarters (Bremen City Musicians)    AT 0130 - The Animals in Night Quarters (Bremen City Musicians)   

ATU 0130    ATU 0130   

SINAT 0130 - Die Tiere im Nachtquartier    SINAT 0130 - Die Tiere im Nachtquartier   

VDK 0130 - The Animals in Night Quarters (Bremen City Musicians)    VDK 0130 - The Animals in Night Quarters (Bremen City Musicians)   

Beschrijving

Een geit vlucht weg van de wereld na een stormachtige nacht waarin zij alles hoorde kraken. Op haar tocht komt zij een haan tegen die meevlucht, omdat ze hem morgen zullen slachten. Ook een kat, hond en ezel die ze op hun weg treffen, hebben hun redenen zich bij hen aan te sluiten. Ze lopen de hele dag totdat ze in een donker bos komen waar geen eten te vinden is. De haan gaat daarom op zoektocht en vindt een huisje met wolven die aan een feestmaal zitten. De vijf dieren verjagen de wolven uit het huisje door ze hard te laten schrikken. De vijf nemen hun intrek in het huisje. Slechts één wolf vat de moed naar het huisje terug te keren. In het donker wordt hij gekrabt door de kat, gebeten door de hond en getrapt door de geit en de ezel. In de veronderstelling dat er in het huisje een heks en een smid zijn die hem zo toetakelden, durft de wolf nooit meer terug te keren.

Bron

J.R.W. Sinninghe: Volkssprookjes uit Nederland en Vlaanderen. Den Haag 1978, p. 25-30

Motief

B296 - Animals go a-journeying.    B296 - Animals go a-journeying.   

K1161 - Animals hidden in various parts of a house attack owner with their characteristic powers and kill him when he enters.    K1161 - Animals hidden in various parts of a house attack owner with their characteristic powers and kill him when he enters.   

Commentaar

Onder Beeld vier plaatjes over de Bremer Stadsmuzikanten uit een Sprookjeskwartet.
The Animals in Night Quarters (Bremen City Musicians)

Naam Overig in Tekst

Koekeloerehaan    Koekeloerehaan   

Langoor.    Langoor.   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20