Hoofdtekst
Er was eens een Oud-Bovetje, die een heleboel kinderen had. Een heette Jopie, de tweede Japie, en een derde Saartje en dan waren er nog een Jantje, een Pietje, een Ahasverusje, een Colombijntje, een Betje, een Zwaantje en nog meer van dat kleine spul.
Oud-Bovetje was erg bang dat zijn kindertjes door de wolf zouden worden opgegeten en paste daarom heel zorgvuldig op hen. Maar op een kwade dag moest hij noodzakelijk van huis en daarom moest hij zijn kindertjes wel alleen achterlaten. Wat deed hij nu? Hij verstopte ze zo goed als hij kon. Hij zette er een onder de tafel en een in een pot, een op de schoorsteen, en een onder de schoorsteen, een in de bedstee en een onder de bedstee, een in de kast, een op de kast en een onder de kast, een in de braadpan en een onder de braadpan, een op de melkkan, een in de melkkan en een onder de melkkan, kortom overal waar een plaatsje was.
En toen alles in orde was, zei hij: "Als nu de wolf aan de deur klopt en roept: `Kindertjes, kindertjes, doe open!' dan moet je vooral niet opendoen, maar roepen: `Ik durf niet! De wolf zal me bijten!' Beloof je me dat?"
"Ja," riepen de kindertjes, "dat beloven we je."
"Goed," zei Oud-Bovetje, "dan ga ik gerust van huis."
De kindertjes zaten allemaal heel stil en durfden zich haast niet te verroeren, al had Jopie het in de melkkan en Japie onder de braadpan het erg benauwd. Ze hoopten nu maar dat de wolf niet zou komen.
Maar jawel, Oud-Bovetje was nog geen half uur weg of er werd op de deur geklopt, héél hard geklopt en de wolf riep met een grove stem: "Kindertjes, kindertjes, doe open!"
De kindertjes waren verstijfd van schrik, maar eindelijk riep Jopie uit de melkkan met een heel benauwd stemmetje: "Ik du-urf nie-niet! De wolf zal me bij-bijten."
De wolf riep nog eens en de kindertjes antwoordden weer: "Ik du-urf nie-niet! De wolf zal me bij-bijten."
Maar toen de wolf drie keer geroepen had en de deur niet openging, werd hij boos en in zijn boosheid liet hij een wind, en de deur vloog met een vreselijk gekraak open. Zo kwam de wolf binnen.
Het duurde niet lang of hij had de kindertjes gevonden en hij at ze allemaal achter elkaar op. Daardoor werd de wolf natuurlijk vreselijk dik, zo dik dat zijn overjas haast niet toe kon. En toen hij de deur wilde uitstappen, ging dat niet; hij kon er niet meer door. Toen kwam juist Oud-Bovetje weer thuis. Hij schrok, toen hij de deur open vond en toen hij binnen was, zag hij dadelijk wat er gebeurd was.
Hij riep: "Waar zijn mijn lieve kindertjes?"
En de kindertjes riepen uit de buik van de wolf: "Hier, hier zijn uw kindertjes."
"Zo," zei Oud-Bovetje tegen de wolf, "heb jij ze opgegeten?" en hij nam een groot mes van de tafel en sneed daarmee de buik van de wolf open en toen sprongen de kindertjes er één voor één uit, vrolijk, gezond en wel. Dat was me een vreugde!
Oud-Bovetje omhelsde ze allemaal en hij gaf aan de wolf naald en draad om zijn buik weer toe te naaien. En daarna ging de wolf druipstaartend met hangende oren heen en hij kwam nooit meer terug. En Oud-Bovetje leefde voortaan heel gelukkig met al zijn kindertjes.
(Zuid-Holland)
Onderwerp
AT 0123 - The Wolf and the Kids   
ATU 0123 - The Wolf and the Kids.   
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Oud-Bovetje   
Jopie   
Japie   
Saartje   
Jantje   
Pietje   
Ahasverusje   
Colombijntje   
Betje   
Zwaantje.   
