Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ZEEUW391 - Van het Tooverfluitje en het Tooverhoedje.

Een sprookje (boek), 1901

Hoofdtekst

Van het Tooverfluitje en het Tooverhoedje.

Er was eens een arme landedelman, die toen hij stierf aan zijn beide zonen niets achterliet dan een groote kist. Ze wisten niet wat daar in zat, en nu toen hun vader begraven was, besloten ze de kist open te maken, om te zien wat die bevatte. Maar de kist was leeg; alleen lag op den bodem een oud hoedje en een fluitje.
"Veel is het niet!" zeiden ze tot elkaar, "en er zal niets anders opzitten, dan dat wij de wijde wereld intrekken, om te zien hoe we daar aan de kost komen."
De een nam het hoedje, en de andere het fluitje, en ze spraken af dat ze over een jaar terug zouden komen om te vertellen hoe het hun vergaan was. Maar voordat
ze scheidden blies de een voor de grap eens op zijn fluitje, en toen hij dat deed stond er opeens een klein mannetje voor hem, die vroeg wat hij verlangde.
"O, als ik het maar voor het zeggen heb, geef mij dan een zak met goud"; en nauwelijks had hij dat gezegd, of het mannetje kwam met een zak met goud aan. "Dat is aardig," riep de ander, "dat is een kostelijk fluitje," en van blijdschap zwaaide hij met zijn hoedje. Maar niet zoodra had hij daar mee gezwaaid, of er
kwam weer een mannetje die ook aan hem vroeg wat hij wenschte. "Geef mij ook maar een zak goud," zei hij, en terstond werd aan zijn verlangen voldaan. Het ontdekken van die bijzondere eigenschap van hun bezittingen bracht natuurlijk verandering in hun plannen. De eene broer besloot voor zijn goud een boerderij te koopen, en daar rustig te gaan wonen, maar de eigenaar van het fluitje wilde liever wat van de wereld zien, en trok dus naar de hoofdstad.
Toen hij nu in de stad was aangekomen, en daar rondwandelde om al het merkwaardige te bekijken, zag hij ook de prachtige koets waarin de koning met zijn dochter gezeten was. "Wel," dacht hij, "dat is een mooi rijtuig, maar ik zal toch eens zien of mijn fluitje mij niet aan nog wat mooiers helpen kan." Hij blies dus, en verlangde van het mannetje een koets en paarden, die mooier waren dan die van den koning. Daar ging hij mee uit rijden, telkens als hij wist dat ook de koning uit rijden ging, en hij zorgde, dat hij hem dan tegen kwam. De koning en zijn dochter werden toen jaloersch, dat er iemand was die een mooier rijtuig had dan zij zelf en zij lieten daarom een gouden koets maken. Maar nauwelijks was die klaar of de ander zorgde dat hij een koets kreeg, die nog veel kostbaarder was, en schitterde van de edelsteenen. De koning en de prinses waren daar natuurlijk boos over, maar ze vonden het toch wenschelijker dien man tot vriend dan tot vijand te hebben, en ze noodigden hem dus aan het hof.
Daar werd hij minzaam ontvangen, en de koningsdochter was zelfs zoo lief en vriendelijk voor hem, dat hij tenslotte verliefd op haar werd. Ze deed alsof zij hem ook liefhad en toen ze hem eindelijk goed en wel in haar macht had, vroeg ze waar hij toch al zijn schatten vandaan haalde. Eerst wilde hij zijn geheim
niet verklappen, en hij dischte allerlei verhalen op; maar de prinses geloofde die niet, en wist hem eindelijk zoover te brengen dat hij het fluitje vertoonde en vertelde welke bizondere eigenschap het bezat. Ze vroeg toen of ze er ook eens op fluiten mocht, maar dat weigerde hij. Het was hem echter niet mogelijk te blijven weigeren toen ze aanhield, en de koningsdochter blies op het fluitje. Dadelijk verscheen het mannetje en vroeg wat de koningsdochter begeerde. En toen beval ze om dien man, die bij haar zat, weg te jagen. Dat gebeurde natuurlijk, en zoo stond hij dan, arm en berooid, buiten de stad.
Hij wist geen andere raad dan naar zijn broer te gaan en aan dezen het ongeval te vertellen. Toen beraadslaagden ze, hoe ze het fluitje terug zouden krijgen, en besloten, dat hij weer naar de stad zou gaan, en met behulp van het hoedje, het verlorene zou zien te herwinnen. Niet lang daarop reed hij dus weer in een koets door de stad en vertoonde zich met nog meer praal dan vroeger. Eindelijk liet hij een paleis bouwen, dat nog veel mooier was dan het koninklijk paleis. Toen kon de koningsdochter het niet langer uithouden, en ze ontbood hem weer aan het hof.
Daar was het hem juist om te doen, want zoo hoopte hij haar het fluitie weer te kunnen afnemen. Maar het kwam anders uit dan hij verwacht had. Want toen hij bij de prinses was, kwam zijn verliefdheid weer boven, en was het hem niet mogelijk haar iets te weigeren. Zij was echter zoo slim, net te doen alsof ze hem in alles zijn zin gaf en zoo merkte hij niet dat ze hem den baas was. Zij beloofde hem dus dat zij hem zijn fluitje terug zou geven, als ze eens met het hoedje mocht zwaaien. En hij was zoo verblind dat hij daar geen gevaar in zag, en haar het hoedje in handen gaf. Ze zwaaide er mee, en voor de tweede maal beval zij het kereltje hem weg te jagen.
Toen hij zag dat hij bedrogen was, was hij radeloos. Hoe zou hij nu het hoedje en het fluitje terug krijgen. Naar zijn broer durfde hij niet gaan, en in de stad blijven wilde hij niet. Mistroostig ging hij dus op pad en dacht dat het maar het best zou zijn een eind aan zijn leven te maken. Zoo kwam hij in een bosch en liep voort tot hij moe werd en legde zich toen onder een boom te slapen
's Morgens werd hij wakker en had honger, want sinds hij uit het paleis was verjaagd had hij niet gegeten. Toen zag hij, dat hij onder een pereboom had gelegen en dat daar mooie peren aan hingen. Hij plukte er een paar af, en zag toen een boom, waaraan nog veel grootere peren zaten. Ook daarvan sloeg hij er enkelen af, en ging toen rustig bij een beekje zitten.
Hij at drie van de groote peren op, maar... o, wonder... toen begon zijn neus te groeien en werd zoo lang dat zijn hoofd door de zwaarte voorover boog. Hij moest zelf lachen toen hij zich in het water bekeek, maar plezierig vond hij het toch niet, want hij kon zich niet meer roeren door die groote, zware neus. Zoo zat hij daar dan, maar toen hij wat van de verrassing bekomen was, voelde hij dat hij nog honger had. "Kom," dacht hij, "ik heb nog peren over, laat ik die ook maar op eten!" Toen nam hij een van de kleine peren en at die op, en daar begon zijn neus weer te krimpen, en toen er drie in zijn maag waren verdwenen, was ook zijn neus weer net zoo klein als hij vroeger geweest was. "Dat is aardig," dacht hij. "Maar nou hang ik me niet meer op. Ik ga naar het hof, en zal wel zien dat ik mijn eigendom terug krijg." Hij ging naar de pereboomen, stopte zijn zakken vol
peren, en ging toen terstond op weg naar de koningsdochter.
Dicht bij de stad ruilde hij zijn mooie kleeren tegen het pak van een bedelaar en zoo kwam hij op het plein voor het paleis. Daar riep hij: "Koop, koop, peren, koop!" maar hij vroeg zooveel geld voor zijn peren, dat niemand er van kocht. De prinses dan was erg snoeplustig. Toevallig zat zij voor het raam, en zag den perenkoopman, en toen ze hoorde, dat zijn peren zoo duur waren, dacht ze: "Dan zijn het zeker bijzonder lekkere peren; daar moet ik er een paar van hebben." Ze zond dus een kamerjuffer uit om van de peren te koopen, en toen die terugkwam at ze er dadelijk drie op. Maar toen begon haar neus te groeien, en te groeien, net zoolang tot hij lang genoeg was.
Dat gaf een consternatie in het paleis. Ieder kwam aan met zalfjes en goede raad, maar de koningsdochter werd er niet door van haar neus afgeholpen. De lijfartsen van den koning en alle dokters uit de stad kwamen er aan te pas. Maar de neus werd er niet kleiner door. Toen werden beroemde professoren en doktoren van heinde en ver ontboden, maar niets mocht baten, de kwaal scheen ongeneeselijk.
Eindelijk kwam er weer een vreemde dokter aan het paleis, tenminste men dacht dat het een vreemde dokter was, maar in werkelijkheid was het de jonker, die door de prinses bedrogen was. Hij onderzocht de koningsdochter, en verklaarde daarna, dat de prinses niet genezen kon worden, omdat ze onrechtvaardig verkregen goed in haar bezit had. Dat wilde de koning natuurlijk niet gelooven; maar toen de dokter volhield, bekende de prinses eindelijk dat ze een oud hoedje had, dat haar eigenlijk niet toehoorde. Dat werd gehaald, en toen gaf hij haar twee van de kleine peren Toen begon haar neus te krimpen en werd al kleiner en kleiner, en de prinses was al blij, dat ze genezen was, maar neen! het krimpen hield op voor dat de neus zijn behoorlijke lengte had teruggekregen. "Ik begrijp er niets van," zei de dokter, "dan moet de prinses nog meer onrechtvaardig goed hebben. " En nu kwam het uit dat ze ook nog het fluitje had. "Dan wil ik wel gelooven dat het middel niet hielp," zei de dokter. Het fluitje werd hem ter hand gesteld en nu kreeg ze nog een peer, zoodat haar neus weer normaal werd. Met geschenken overladen verliet hij het hof, maar omdat hij zich op de trouwelooze koningsdochter wilde wreken, gaf hij haar bij zijn afscheid nog een pap van fijngewreven groote peren, met den raad om daar haar neus van tijd tot tijd eens mee te smeren. Toen maakte hij dat hij uit de stad weg kwam.
Het duurde echter niet lang of de prinses proefde eens van de pap, en vond die zoo lekker, dat ze er flink van at. Toen begon haar neus weer te groeien, en werd net zoo lang als hij geweest was. De koning was woedend op den bedrieger, en trok hem met een leger achterna. Juist was hij met het fluitje en het hoedje behouden op de boerderij van zijn broer aangekomen, toen het leger in de verte naderde. Maar de broers waren niet vervaard. De een zwaaide met het hoedje, en de andere blies op het fluitje, en toen hun gevraagd werd wat ze begeerden, verlangden ze een leger dat grooter en sterker was dan dat van den koning. Toen werd de koning verslagen en de koningsdochter bleef alleen achter met haar groote neus.

Onderwerp

AT 0566 - The Three Magic Objects and the Wonderful Fruits (Fortunatus)    AT 0566 - The Three Magic Objects and the Wonderful Fruits (Fortunatus)   

ATU 0566    ATU 0566   

Beschrijving

Twee zonen erven een toverfluitje en een toverhoedje. Als ze op het fluitje blazen of met het hoedje zwaaien, vervult een mannetje hun wensen. Beide vragen een zak met goud. De ene broer koopt een boerderij, de ander gaat met het fluitje naar de stad. Als de koning en zijn dochter in een koets voorbijrijden, wenst de jongen tot tweemaal toe een mooiere koets. Uiteindelijk mag de jongen aan het hof komen. Hij wordt verliefd op de prinses en zij palmt hem in. Ze ontfutselt hem het fluitje, blaast en beveelt het mannetje om de jongen te verjagen. De jongen haalt bij zijn broer het hoedje. Aan het hof laat hij zich nogmaals beetnemen: hij raakt het hoedje kwijt en wordt verjaagd. In het bos wil hij zich verhangen, maar hij vindt grote en kleine peren, die de neus doen groeien en krimpen. Hij verkoopt de grote peren aan het hof en de prinses krijgt een enorme neus. Even later dient de jongen zich als dokter verkleed aan: hij constateert dat de prinses onrechtvaardig verkregen goed bezit. Als zij fluit en hoedje teruggeeft, krijgt zij de kleine peren, waardoor haar neus weer krimpt. De jongen laat aan het hof een papje achter met fijngewreven grote peren. Even later is de neus van de prinses weer groot. De koning stuurt een leger achter de jongen aan. Hij en zijn broer wensen met fluitje en hoedje echter een groter leger en ze verslaan de koning. De prinses wordt arm en blijft lelijk.

Bron

J.R.W. en M. Sinninghe: Zeeuwsch sagenboek. Zutphen 1933, p. 336-341

Commentaar

1901
zie BOEKV028; CBAK0244; SINVS016
Verteller: "iemand die het verhaal in zijne jeugd van zijn vader hoorde".
Vertellers in feite: mevrouw J.H.E.Schoemaker - Sevenhuysen en haar broer, meneer Sevenhuysen.
The Three Magic Objects and the Wonderful Fruits (Fortunatus)
Boekenoogen, in: Volkskunde XIV, 234-238

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20