Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

VOLKS012 - Brave Petrus en zijn Zak

Een sprookje (), 1888

Hoofdtekst

Brave Petrus en zijn zak
Brave Petrus was een goede jongen, die veel medelijden had met de arme menschen. Als hij met koewachten vijf centen won, gaf hij er zes van weg aan de armen. Onze lieve Heer, die alles wist, wilde Braven Petrus voor zijne braafheid eene gunst verleenen, en wachtte hem daarom af op eenen weg, waar hij met zijne koeien moest voorbijgaan. Als Petrus onzen Heer gezien had, nam hij tot tegen den grond zijn versleten mutseken af; maar de Heer kwam bij hem en vroeg, of hij Petrus niet was, die bij pachter Sies de koeien wachtte?
"Ja ik, mijnheer," zegde Petrus, "die ben-ek-ik!"
"Dan heb ik van u hooren spreken," zegde de Heer zoo. "Men heeft mij gezegd, dat gij zoo braaf zijt en zoo goed voor de arme menschen."
Brave Petrus werd rood tot achter de ooren, omdat de Heer zijnen lof sprak, maar deze hernam: "Mij ken-de niet, hè Petrus? Weet-de gij, wie dat ik ben? Ik ben ik Onze lieve Heer, en ik ben hier gekomen, om u van drij dingen éene te laten kiezen: ofwel moogt gij recht naar den hemel gaan, ofwel zoo rijk worden als heel de waereld te zaam, ofwel u eenen zak kiezen, waar dat ge alles kunt doen in- en uitgaan, wat gij maar kunt denken of wenschen!"
Petrus bepeisde zich niet lang en koos den zak, waar dat hij alles kon doen in- en uitgaan, wat hij maar kon denken of wenschen! En weet-de gij waarom hij dat deed? Omdat hij toch later ook kon naar den hemel gaan, als hij braaf bleef, en omdat hij met dien zak zoo rijk kon worden, als hij maar wilde.
Brave Petrus trok nu met zijnen zak naar de weide, en daar stond juist een klein geitje, en weidde zooveel als het maar kon.
Hij zegde dan tot dit klein beestje: "Geitje, geitje! in mijnen zak!"
En het geitje zat al in zijnen zak, en schreeuwde, alsof men het keelde. 't Was altijd blêêê! blêêê! blêêê!
Maar Brave Petrus kreeg compassie met het beestje, en riep: "Allo, vanher uit mijnen zak!"
En het geitje stond weer te weiden, waar het vroeger gestaan had. Maar Petrus kwam terug t'huis met zijne koeien en wilde van geen werken meer hooren spreken. Zijn boer bekeef hem en de anderen lachten hem uit, maar Brave Peer deed ze allen in zijnen zak kruipen, en zij moesten goed en wel beloven, hem niet meer te bespotten, eer zij er weder uit mochten.
De koewachter deed nu anders niets meer dan met zijnen zak van de eene plaats naar de andere rondloopen, en overal moesten ze hem geven, wat hij vroeg, of anders moesten ze er in. Hij had nu zoo al 'nen heelen tijd rondgeloopen, en was een volslagen man geworden, als hij zoo op eens goesting kreeg, om te trouwen met eene rijke boerin uit het omliggende. Ze kwam Petrus 'nen keer tegen, als hij van de markt kwam, en hij wachtte niet lang, om heur maar alles rechtuit te zeggen; maar de boerin lachte hem uit en zei, dat zij al veel te rijk en te schoon was voor zoo eenen leeliken leegloôper.
Dat stond Petrus niet aan, en hij zei al rap: "Allo, in mijnen zak!"
En zie, het meisken zat in den zak! En schreeuwen, dat ze dee, om er te mogen uitkomen!
"Ja, als gij met mij trouwt," zei Petrus.
"Ja 'k," zei 'e meisken.
Maar ze was niet zoo gauw uit zijne klauwen, of ze dacht in heur eigen: hij zal mij toch niet hebben. Dat liep zoo wel eene maand of drie aan, en Petrus wist al van hooren zeggen, dat zijn meisje met hem lachte.
Nu kwam hij met zijnen zak op eene jaarmarkt, waar zij ook was, en zoodra hij heur gezien had, riep hij zoo luid hij kon: "Allo! Trientje, in mijnen zak!"
En het boerinneken zat weer in den zak, terwijl al de omstanders om het luidste lachten.
"Newel," vroeg Petrus, zul-de nu met mij trouwen?"
"Ja'k, maar laat er mij toch uit, als 't u belieft," riep Trientje.
"Zal het zeker zijn?" vroeg Petrus.
"Ja, wij zullen maar seffens beginnen," zei Trientje.
"Allo, dan uit mijnen zak," riep Brave Petrus weer, en kort daarna was hij met het schoone en rijke boerinneken getrouwd.
Maar het ging niet wel in het huishouden van Braven Petrus, en hij kreeg alle dagen ruzie tegen zijne vrouw, zoodat ze bijna niets anders moest doen dan in en uit den zak te kruipen. Eindelijk werd hij die onaangenaamheden moe en ging op reis.
Hij was weldra zoo verre gegaan, dat hij eindelijk aan de poorten van den hemel kwam, waar Sint Pieter stond met de sleutels in zijne handen.
"Goeden dag, Sint Pieter," zegde Brave Petrus zoo.
"Bonsjoer, mijnheer," zegde Sint Pieter, want hij kende Fransch ook.
"Zou ik niet kunnen binnen geraken?" vroeg Brave Petrus.
"Dat moet ik eerst gaan vragen aan Onzen lieven Heer," zegde Sint Pieter.
"En hoe lang moet ik dan nog wachten?" hernam Petrus.
"Nog omtrent een half uurken," antwoordde Sint Pieter.
"Dat is veel te lang," riep Petrus; "laat mij maar seffens binnen!"
"Ik mag niet," zei Sint Pieter weer.
"Ge moet mogen," zei de andere.
"Ik mag niet van Onzen lieven Heer!"
"Tut, tut! zoo lang kan ik niet wachten, zeg ik u! Allo! in mijnen zak."
En, verdot! Sint Pieter zat in den zak, en roepen en spartelen en lawaaien dat hij er in deed! Maar alles was vruchteloos. Sint Pieter hield echter zoo lang vol, dat God de Heer zelf kwam kijken. Daar zag hij Braven Petrus staan.
"Ha! Brave Petrus, zijt-de gij daar? Wat gebeurt er hier?" vroeg de Heer.
"Och, Onze lieve Heer," zei Petrus, ik vroeg dien ouwen bullebak om binnen te mogen, en hij wou niet, en daarom heb ik hem in den zak doen kruipen, dien Gij mij gegeven hebt."
"Als het zoo is, dan komt alles te recht, zei de Heer; laat er Sint Pieter maar gauw uit, ik zal ik u den hemel rondleiden."
En Sint Pieter stond daar nu weer met zijne sleutels! Brave Petrus pakte zijnen zak op, en ging met den Heer meê, die hem al de plaatsen van den hemel liet zien, en het was daar zoo schoon, zoo schoon, zoo SCHOON toch, dat Brave Petrus bijna niet voort kon, en de Heer hem altijd moest voortroepen. Eéne plaats nogtans was er, waar Brave Petrus niet in geweest was, maar door de spleet van de deur had hij gezien, dat daar allemaal lampkens brandden. Brave Petrus werd nieuwsgierig en vroeg wat die lichtjes te beteekenen hadden!
"Vriendje," zegde Onze Heer, al die lampkens zijn menschenlevens, en zoo dikwijls er een uitgaat, moet een mensch sterven."
"Is mijn lampken daar ook bij?" vroeg Petrus.
"Ja zeker," zeide Onze Heer.
"Laat me dat 'nen keer bekijken," bad Petrus.
"Welnu, kom mee," zegde Onze Heer.
En ze traden nu in die plaats, die zoo groot was, o wel zoo groot als geheel Belgenland, en daar brandden zooveel lampkens, zooveel lampkens, dat de oogen van al dat blikkeren zeer deden. Onze lieve Heer, die wel wist in welke root het lampken van Braven Petrus stond, liet hem zelf zoeken. Als hij al lang gesnuffeld en gekeken had, zag Brave Petrus zijnen naam staan op een briefken, dat aan een zeer klein lampken was vastgehecht. Ai mij! Ai mij! het lampken stond op uitgaan, en het was al bezig met pinken!
"Spoedig, olie, olie!" riep Petrus zoo luid hij maar kon, "olie! olie! mijn lampken gaat uit!"
"Vriend," vermaande Onze lieve Heer, "dat mag niet zijn: dat is zoo geschikt van in der eeuwigheid!"
"Olie! zeg ik, olie!" riep Brave Peer maar altijd voort; en, als hij zag, dat Onze lieve Heer maar niet wilde luisteren, zegde hij besloten: "Welaan, dan moet Gij zelf in mijnen zak!"
En de Heer zat inderdaad in den zak.
"Zul-de er nu olie in doen?"
"Ik mag niet," antwoordde de Heer...
En het lampken pinkte al erger en erger...
Doch Petrus riep dan nog luider: "Olie! zeg ik, olie! Doe er olie in!..."
En hij `sjeneerde' zich niet en schudde zoo hevig hij kon met den zak.
"Zul-de er olie in doen?" vroeg hij nogmaals.
Nu, Onze Heer zat op zijn gemak niet in den zak, en daar hij voorzag, dat de koppige boer toch zou volhouden, vroeg hij eindelijk: "Voor hoeveel jaren moet er nog olie bij?"
"Nog voor twintig jaren," zei Brave Petrus.
"'t Is wel," zei Onze Heer.
"Allo dan, uit mijnen zak," zegde Petrus!
En de Heer was weer op vrije voeten. Er werd nog voor twintig jaren olie bij gedaan, en Brave Petrus heeft nog twintig jaren geleefd ook.
(Hamme Ste-Anna)

Onderwerp

AT 0330B - The devil in the knapsack (bottle, cask)    AT 0330B - The devil in the knapsack (bottle, cask)   

ATU 0330    ATU 0330   

Beschrijving

Als beloning voor zijn goed gedrag mag een jongen van de Lieve Heer uit drie dingen kiezen. Of hij mag rechtstreeks naar de hemel, óf hij wordt heel rijk, óf hij krijgt een zak waarin hij alles kan laten in-, of uitvliegen. De jongen kiest voor de zak. De jongen wil met een rijke boerin trouwen, maar het meisje wil niet. De jongen laat haar in de zak vliegen, en dwingt haar op deze wijze met hem te trouwen. Dan komt de jongen bij de hemelpoort. Hij wordt niet toegelaten, maar de Heer wil hem wel de hemel rondleiden. Ze komen bij een plaats waar alle lampjes van de mensen branden. Het lampje van de jongen gaat bijna uit. Met behulp van de truc met de zak, dwingt de jongen de Heer olie bij zijn lampje te gieten. De jongen krijgt er voor twintig jaar olie bij.

Bron

Volkskunde. Tijdschrift voor Nederlandsche Folklore. 1 (1888) 45

Motief

K1811 - Gods (saints) in disguise visit mortals.    K1811 - Gods (saints) in disguise visit mortals.   

D1412.1 - Magic bag draws person into it.    D1412.1 - Magic bag draws person into it.   

D1413.9.1 - Wallet (sack) from which one cannot escape.    D1413.9.1 - Wallet (sack) from which one cannot escape.   

Commentaar

1888
The Devil in the Knapsack

Naam Overig in Tekst

Brave Petrus    Brave Petrus   

Peer    Peer   

Trientje    Trientje   

Lieve Heer [Jezus Christus]    Lieve Heer [Jezus Christus]   

Sint Pieter [Sint Petrus]    Sint Pieter [Sint Petrus]   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20