Hoofdtekst
Hij was toen maar drie maanden oud. (Hij=zoon opt [Brouwers])
En toen....... was een vrouw,........
En hij was ziek. En toen was er een vrouw in Eijs en toen zei die tegen mijn man op een Zondag na de hoogmis: Kleermaker, ik heb de jongen van jou gezien, maar die heeft hetzelfde als die jongen van mij, die sterft je, die jongen. En toen kwam de man thuis en zegt toen: ben je met het kind buiten geweest?
Ik zeg neen, ik ben helemaal niet buiten geweest. Ja, die en die vrouw vertelde mij dat jij met het kind buiten was geweest en wij dat kind nooit zouden groot krijgen, hij zou hetzelfde hebben als haar zoon, hij zou sterven.
O, ja......
Ja, de andere dag........
Ja, de Vrijdag daarna, toen kwam diezelfde vrouw, toen kwam die een pet kopen, die oude vrouw. En ik had hem net van boven naar beneden gebracht, en ik had hem beneden in de wagen gelegd, maar ik had vergeten hem wijwater te geven, wat je toch altijd doet, nietwaar. En toen zei de man, die was aan het vrijwiel van een fiets aan 't werk, zegt die, ik heb zo'n vuile handen, haal jij een s een doos petten naar binnen voor die vrouw. Ik ging die petten halen en toen dacht ik, mijn God, je hebt dat kind geen wijwater gegeven, als ze maar niet aan die wagen komt of aan dat kind komt.
En toen die vrouw toen weg was, ik had haar die pet verkocht, en toen ze dan weg was toen zei ik tegen mijn man, is ze niet aan de wagen geweest? Jawel, zegt hij, maar ze heeft maar ze heeft maar zo eens even in de wagen gekeken. Ik zei, potverdikkeme, tegen hem, ik heb hem vergeten wijwater te geven. Och, wat zou dat, zei de man toen.
Ja, en de Zondag was hij toen zo geweldig slecht er aan toe. Toen was een broer van mijn man in Voerendaal gestorven en daar waren we dan naar toe geweest en toen we dan terugkwamen....... Wij waren om een uur vertrokken en tegen 'n uur of vijf waren we weer terug en toen kende je het kind niet meer terug. En wij naar de dokter in Simpelveld, en die kwam ook direct. Vertelde ik hem dat van die vrouw..................................
Ja, zegt hij, maar wij zullen onze best wel doen, zegt hij. En de andere dag kwam hij weer terug.
Maar intussen had ik echter de pastoor laten halen om hem te laten overlezen. Ik zeg aan de heer pastoor, ik zeg heer pastoor hoor eens hier ik geloof dat kind is behekst.
Ja, zegt hij toen.....ja......., die pasttoor,......ja,......daar moet U niet zo aan geloven, zegt hij zo tegen mij, maar U moet toch oppassen voor degenen die de naam hebben. Maar, zegt hij, ik overlees hem en dan kom ik morgen terug.
En toen overlas hij hem, ik had 't kind zo op de tafel gelegd en toen zei de pastoor, en toen zei hij, kom eens kijken, zegt hij, hij ligt alsof hij aan 't kruis genageld moet worden, zegt die pastoor toen.
De andere dag kwam hij terug. Maar toen 't 's-morgens kwam de dokter en toen had die nog wat drank bij zich om de jongen te geven want die at en dronk helemaal niets meer. Nu, ik moest de jongen om de twee uur enkele druppels geven. Maar intussen was m'n man echter al naar boven gegaan, stiekem om daar wat te bidden. En toen had hij gedacht, je bidt toch maar als we hem moeten afgeven dan moeten we ons maar erbij neerleggen, dan hè, als 't moest zijn.
En toen om drie uur kwam de dokter terug en toen was alles omgeslagen.
Ja, 's-middags had pastoor hem overlezen, hè. Toen kwam de dokter en teon zegt die, maar zegt hij, het kind is erdoor! Maar, zegt hij, ik heb niks aan hem kunnen doen, zegt hij, want ik had 'm opgegeven. Ik had dit maar omwille van U nog gedaan, maar dat is van Hogerhand gekomen.
Ja, de pastoor was zeker drie weken lang gekomen, elke dag kwam die hem overlezen, elke dag. En toen zei hij toen: nu hoef ik niet meer te komen hij is er nu door. Maar als 't zou zijn, dat U iets aan hem merkt, zegt hij, dan laat mij maar direct roepen.
Ja, en zo heeft dat gegaan.
Ja, en U mag niet de naam van die vrouw vertellen.
En toen....... was een vrouw,........
En hij was ziek. En toen was er een vrouw in Eijs en toen zei die tegen mijn man op een Zondag na de hoogmis: Kleermaker, ik heb de jongen van jou gezien, maar die heeft hetzelfde als die jongen van mij, die sterft je, die jongen. En toen kwam de man thuis en zegt toen: ben je met het kind buiten geweest?
Ik zeg neen, ik ben helemaal niet buiten geweest. Ja, die en die vrouw vertelde mij dat jij met het kind buiten was geweest en wij dat kind nooit zouden groot krijgen, hij zou hetzelfde hebben als haar zoon, hij zou sterven.
O, ja......
Ja, de andere dag........
Ja, de Vrijdag daarna, toen kwam diezelfde vrouw, toen kwam die een pet kopen, die oude vrouw. En ik had hem net van boven naar beneden gebracht, en ik had hem beneden in de wagen gelegd, maar ik had vergeten hem wijwater te geven, wat je toch altijd doet, nietwaar. En toen zei de man, die was aan het vrijwiel van een fiets aan 't werk, zegt die, ik heb zo'n vuile handen, haal jij een s een doos petten naar binnen voor die vrouw. Ik ging die petten halen en toen dacht ik, mijn God, je hebt dat kind geen wijwater gegeven, als ze maar niet aan die wagen komt of aan dat kind komt.
En toen die vrouw toen weg was, ik had haar die pet verkocht, en toen ze dan weg was toen zei ik tegen mijn man, is ze niet aan de wagen geweest? Jawel, zegt hij, maar ze heeft maar ze heeft maar zo eens even in de wagen gekeken. Ik zei, potverdikkeme, tegen hem, ik heb hem vergeten wijwater te geven. Och, wat zou dat, zei de man toen.
Ja, en de Zondag was hij toen zo geweldig slecht er aan toe. Toen was een broer van mijn man in Voerendaal gestorven en daar waren we dan naar toe geweest en toen we dan terugkwamen....... Wij waren om een uur vertrokken en tegen 'n uur of vijf waren we weer terug en toen kende je het kind niet meer terug. En wij naar de dokter in Simpelveld, en die kwam ook direct. Vertelde ik hem dat van die vrouw..................................
Ja, zegt hij, maar wij zullen onze best wel doen, zegt hij. En de andere dag kwam hij weer terug.
Maar intussen had ik echter de pastoor laten halen om hem te laten overlezen. Ik zeg aan de heer pastoor, ik zeg heer pastoor hoor eens hier ik geloof dat kind is behekst.
Ja, zegt hij toen.....ja......., die pasttoor,......ja,......daar moet U niet zo aan geloven, zegt hij zo tegen mij, maar U moet toch oppassen voor degenen die de naam hebben. Maar, zegt hij, ik overlees hem en dan kom ik morgen terug.
En toen overlas hij hem, ik had 't kind zo op de tafel gelegd en toen zei de pastoor, en toen zei hij, kom eens kijken, zegt hij, hij ligt alsof hij aan 't kruis genageld moet worden, zegt die pastoor toen.
De andere dag kwam hij terug. Maar toen 't 's-morgens kwam de dokter en toen had die nog wat drank bij zich om de jongen te geven want die at en dronk helemaal niets meer. Nu, ik moest de jongen om de twee uur enkele druppels geven. Maar intussen was m'n man echter al naar boven gegaan, stiekem om daar wat te bidden. En toen had hij gedacht, je bidt toch maar als we hem moeten afgeven dan moeten we ons maar erbij neerleggen, dan hè, als 't moest zijn.
En toen om drie uur kwam de dokter terug en toen was alles omgeslagen.
Ja, 's-middags had pastoor hem overlezen, hè. Toen kwam de dokter en teon zegt die, maar zegt hij, het kind is erdoor! Maar, zegt hij, ik heb niks aan hem kunnen doen, zegt hij, want ik had 'm opgegeven. Ik had dit maar omwille van U nog gedaan, maar dat is van Hogerhand gekomen.
Ja, de pastoor was zeker drie weken lang gekomen, elke dag kwam die hem overlezen, elke dag. En toen zei hij toen: nu hoef ik niet meer te komen hij is er nu door. Maar als 't zou zijn, dat U iets aan hem merkt, zegt hij, dan laat mij maar direct roepen.
Ja, en zo heeft dat gegaan.
Ja, en U mag niet de naam van die vrouw vertellen.
Onderwerp
TM 3101 - Heks maakt kind (mens, dier) ziek   
TM 3106 - Het drankje van de duivelbanner   
Beschrijving
Kind wordt ziek nadat heks naar het heeft gekeken en het kind geen wijwater heeft gekregen. Na overlezen door pastoor geneest het kind.
Bron
Collectie Brouwers, verslag 28, verhaal 3 (Archief Meertens Instituut)
Commentaar
[Brouwers:] publicatie van dit verhaal is niet toegestaan, omrede de hierin bedoelde personen nog in leven zijn.
ik stuur U dit verhaal bij uitzondering, het wil een proeve zijn, dat het het verleden soms nog leeft in het heden.
ik stuur U dit verhaal bij uitzondering, het wil een proeve zijn, dat het het verleden soms nog leeft in het heden.
Naam Overig in Tekst
God   
Naam Locatie in Tekst
Eijs   
Voerendaal   
Simpelveld   
Plaats van Handelen
Eijs   
